H1.
1. Een reclasseringswerker is bang voor zijn agressieve cliënt. Hij probeert van alles te regelen om
deze cliënt tevreden te houden. Op welk niveau handelt de reclasseringswerker volgens de
ontwikkelingstheorie van Kohlberg?
A. Het conventionele niveau
B. Het postconventionele niveau
C. Het preconventionele niveau
D. Het immorele niveau.
2. Een sociaal werker wordt opgeroepen om vroeghulp te geven aan een jongere die net in
verzekering is gesteld. Als hij de cel binnenstapt, zegt de jongen tegen hem: “Wij zijn vrienden.” De
sociaal werker vraagt zich af in hoeverre hij zich inderdaad als een vriend dient op te stellen. Om wat
voor soort moreel issue gaat het vooral in deze casus?
A. Zelfbeschikking versus welzijn
B. Belangen van de cliënt versus belangen van de samenleving
C. Gelijkheid, diversiteit en onderdrukking
D. Beroepsrol
3. Een sociaal werker begeleidt een cliënt die is verwikkeld in een conflictueuze echtscheiding. Hij
heeft al een paar keer te kennen gegeven de nieuwe vriend van zijn vrouw iets aan te doen. De cliënt
lijkt het conflict op de spits te willen drijven. Om wat voor een soort moreel issue gaat het vooral in
deze casus?
A. Zelfbeschikking versus welzijn
B. Belangen van de cliënt versus belangen van de samenleving
C. Gelijkheid, diversiteit en onderdrukking
D. Beroepsrol
4. Sabrina, een meisje van 14 jaar, vertelt aan de sociaal werker op school dat zij door haar stiefvader
wordt betast. Sabrina wil niet dat de sociaal werker ook maar iets hierover aan anderen doorvertelt.
Na het gesprek twijfelt de sociaal werker. Moet hij het AMK (Advies en Meldpunt voor
Kindermishandeling) inschakelen wat in strijd is met zijn geheimhoudingsplicht? Of moet hij niets
doen? Maar dan komt het welzijn en de gezondheid van Sabrina in gevaar. Hoe ervaart de sociaal
werker deze moreel relevante situatie?
A. Als een moreel issue
B. Als een moreel dilemma
C. Als een moreel probleem
D. Als een methodisch probleem
5. De filosoof Jan Verplaetse beschrijft een toekomstscenario van het Europese recht waarin
begrippen als ‘schuld’ en ‘verantwoordelijkheid’ niet worden gebruikt. Hij stelt: ‘Niemand draagt
schuld voor het verdienstelijke of het afschuwelijke. Welk meta-ethisch inzicht ligt ten grondslag aan
een dergelijk toekomstscenario?
A. Determinisme
B. Indeterminisme
C. Geen van beide
,H2.
1. Waarop is de categorisch imperatief volgens Kant (1724-1804) uiteindelijk gebaseerd? Waarop is
de categorisch imperatief volgens Kant (1724-1804) uiteindelijk gebaseerd?
A. Karaktereigenschappen
B. Overeenstemming tussen zo veel mogelijk personen
C. Redelijkheid; dat wil zeggen consistentie en het voorkómen van logische tegenspraak.
D. Het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal mensen
2. Stel, je loopt een dorpje binnen waar een dictator heerst. Hij is van plan 15 onschuldige personen
dood te schieten. Als hij jou ziet, herziet hij zijn plan en stelt jou voor het volgende dilemma. Als jij
één van de 15 personen doodschiet, zal hij de rest sparen. Als je geen van deze personen ombrengt,
zal hij ze allemaal laten doodschieten. Welke keuze zul je moeten maken als je handelt vanuit het
utilisme? Hoe moet je handelen vanuit de plichtethiek van Kant (1724-1804)?
A. Utilisme: Ik mag de persoon niet doden. Kant: Ik moet de persoon doden
B. Utilisme: Ik moet de persoon doden. Kant: Ik mag de persoon niet doden
C. Utilisme: Ik moet de persoon doden. Kant: Ik moet de persoon doden
D. Utilisme: Ik mag de persoon niet doden. Kant: Ik mag de persoon niet doden
3. “Ik ga op vakantie naar de Ardennen. Omdat ik het bestede geld niet overmaak ten behoeve van
vluchtelingen in Tunesië, maak ik mij schuldig aan dood door schuld.” Welke uitgangspunt van het
utilisme wordt hier gehuldigd?
A. Het grootste geluk voor de meeste mensen
B. Alléén de gevolgen tellen
C. De hedonistische calculus
D. Negatieve verantwoordelijkheid
4. Je kunt spreken over de betrouwbaarheid van de sociaal werker. In welke vorm van ethiek past dat
vooral?
A. Gevolgenethiek
B. Zorgethiek
C. Deugdethiek
D. Beginselethiek
5. In een (gezins)voogdij-instelling vindt een collegiaal overleg plaats. Onderwerp van gesprek is het
al dan niet aanvragen van een uithuisplaatsing van vier kinderen die deel uitmaken van een
vluchtelingengezin. Het gezin is uitgeprocedeerd en maakt zich op voor terugkeer naar het land van
herkomst. Collega Pieter zegt: “Als we nu de kinderen laten weghalen dan is de kans groot dat ze hun
ouders helemaal uit het oog verliezen.” Volgens hem weegt voor de kinderen het gemis van de
ouders zwaarder dan het stoppen van de verwaarlozing en mishandeling. Collega Sanne stelt: “We
moeten de kinderen uit huis plaatsen. De ouders hebben de kinderen uitsluitend als middel gebruikt
en niet ook als doel, en dat is in strijd met de categorisch imperatief.” Welke normatieve theorieën
hanteren achtereenvolgens Pieter en Sanne?
A. Pieter de deugdethiek. Sanne het utilisme
B. Pieter de deugdethiek. Sanne de plichtethiek
C. Pieter het utilisme. Sanne de deugdethiek
D. Pieter het utilisme. Sanne de plichtethiek.
, H3.
1. Van welke ethiek is dialoogethiek een vorm?
A. Deugdethiek
B. Plichtethiek.
C. Gevolgenethiek
D. Geen van bovengenoemde vormen
2. Stelling 1: Dialoogethiek is de beste manier om met verschillen om te gaan. Stelling 2:
Dialoogethiek streeft naar maximale overeenstemming tussen zoveel mogelijk mensen. Zijn de
genoemde stellingen juist of onjuist?
A. Stelling 1 is juist
B. Stelling 2 is juist
C. Beide stellingen zijn juist
D. Geen van beide stellingen is juist
3. Stel, de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt betrokkenheid van ouders bij de
school van hun kinderen verplicht. Welke stelling is juist?
A. De overheid maakt een rechtsnorm tot een morele norm
B. De overheid maakt van een rechtsnorm een basisrecht
C. De overheid maakt van een morele norm een rechtsnorm
D. De overheid maakt van een morele norm een basisrecht
4. Wat zien Cohen en Arato als het hart van democratiseringsprocessen?
A. Political society
B. Civil society
C. Economical society
D. Geen van bovengenoemde antwoorden
5. Stelling 1: . De drie soorten basisrechten vormen een noodzakelijke voorwaarde voor
dialoogethiek. Stelling 2: De verhouding tussen basisrechten en morele normen kun je ook
weergeven als de verhouding tussen onze rol als burger en als onderdaan. Welke van de genoemde
stellingen is juist?
A. Stelling 1 is juist
B. Stelling 2 is juist
C. Beide stellingen zijn juist
D. Geen van beide stellingen is juist
H5.
1. In hoofdstuk 5 van het handboek wordt uitvoerig ingegaan op de casus van Aad en Liesbeth, die
hun kinderwens voorleggen aan sociaal werker Anja. Anja gaat in het contact met Aad en Liesbeth uit
van haar beroepscode (art. 1). Tot welke ethiek hoort deze benadering?
A. Gevolgenethiek
B. Deugdethiek
C. Plichtsethiek
1. Een reclasseringswerker is bang voor zijn agressieve cliënt. Hij probeert van alles te regelen om
deze cliënt tevreden te houden. Op welk niveau handelt de reclasseringswerker volgens de
ontwikkelingstheorie van Kohlberg?
A. Het conventionele niveau
B. Het postconventionele niveau
C. Het preconventionele niveau
D. Het immorele niveau.
2. Een sociaal werker wordt opgeroepen om vroeghulp te geven aan een jongere die net in
verzekering is gesteld. Als hij de cel binnenstapt, zegt de jongen tegen hem: “Wij zijn vrienden.” De
sociaal werker vraagt zich af in hoeverre hij zich inderdaad als een vriend dient op te stellen. Om wat
voor soort moreel issue gaat het vooral in deze casus?
A. Zelfbeschikking versus welzijn
B. Belangen van de cliënt versus belangen van de samenleving
C. Gelijkheid, diversiteit en onderdrukking
D. Beroepsrol
3. Een sociaal werker begeleidt een cliënt die is verwikkeld in een conflictueuze echtscheiding. Hij
heeft al een paar keer te kennen gegeven de nieuwe vriend van zijn vrouw iets aan te doen. De cliënt
lijkt het conflict op de spits te willen drijven. Om wat voor een soort moreel issue gaat het vooral in
deze casus?
A. Zelfbeschikking versus welzijn
B. Belangen van de cliënt versus belangen van de samenleving
C. Gelijkheid, diversiteit en onderdrukking
D. Beroepsrol
4. Sabrina, een meisje van 14 jaar, vertelt aan de sociaal werker op school dat zij door haar stiefvader
wordt betast. Sabrina wil niet dat de sociaal werker ook maar iets hierover aan anderen doorvertelt.
Na het gesprek twijfelt de sociaal werker. Moet hij het AMK (Advies en Meldpunt voor
Kindermishandeling) inschakelen wat in strijd is met zijn geheimhoudingsplicht? Of moet hij niets
doen? Maar dan komt het welzijn en de gezondheid van Sabrina in gevaar. Hoe ervaart de sociaal
werker deze moreel relevante situatie?
A. Als een moreel issue
B. Als een moreel dilemma
C. Als een moreel probleem
D. Als een methodisch probleem
5. De filosoof Jan Verplaetse beschrijft een toekomstscenario van het Europese recht waarin
begrippen als ‘schuld’ en ‘verantwoordelijkheid’ niet worden gebruikt. Hij stelt: ‘Niemand draagt
schuld voor het verdienstelijke of het afschuwelijke. Welk meta-ethisch inzicht ligt ten grondslag aan
een dergelijk toekomstscenario?
A. Determinisme
B. Indeterminisme
C. Geen van beide
,H2.
1. Waarop is de categorisch imperatief volgens Kant (1724-1804) uiteindelijk gebaseerd? Waarop is
de categorisch imperatief volgens Kant (1724-1804) uiteindelijk gebaseerd?
A. Karaktereigenschappen
B. Overeenstemming tussen zo veel mogelijk personen
C. Redelijkheid; dat wil zeggen consistentie en het voorkómen van logische tegenspraak.
D. Het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal mensen
2. Stel, je loopt een dorpje binnen waar een dictator heerst. Hij is van plan 15 onschuldige personen
dood te schieten. Als hij jou ziet, herziet hij zijn plan en stelt jou voor het volgende dilemma. Als jij
één van de 15 personen doodschiet, zal hij de rest sparen. Als je geen van deze personen ombrengt,
zal hij ze allemaal laten doodschieten. Welke keuze zul je moeten maken als je handelt vanuit het
utilisme? Hoe moet je handelen vanuit de plichtethiek van Kant (1724-1804)?
A. Utilisme: Ik mag de persoon niet doden. Kant: Ik moet de persoon doden
B. Utilisme: Ik moet de persoon doden. Kant: Ik mag de persoon niet doden
C. Utilisme: Ik moet de persoon doden. Kant: Ik moet de persoon doden
D. Utilisme: Ik mag de persoon niet doden. Kant: Ik mag de persoon niet doden
3. “Ik ga op vakantie naar de Ardennen. Omdat ik het bestede geld niet overmaak ten behoeve van
vluchtelingen in Tunesië, maak ik mij schuldig aan dood door schuld.” Welke uitgangspunt van het
utilisme wordt hier gehuldigd?
A. Het grootste geluk voor de meeste mensen
B. Alléén de gevolgen tellen
C. De hedonistische calculus
D. Negatieve verantwoordelijkheid
4. Je kunt spreken over de betrouwbaarheid van de sociaal werker. In welke vorm van ethiek past dat
vooral?
A. Gevolgenethiek
B. Zorgethiek
C. Deugdethiek
D. Beginselethiek
5. In een (gezins)voogdij-instelling vindt een collegiaal overleg plaats. Onderwerp van gesprek is het
al dan niet aanvragen van een uithuisplaatsing van vier kinderen die deel uitmaken van een
vluchtelingengezin. Het gezin is uitgeprocedeerd en maakt zich op voor terugkeer naar het land van
herkomst. Collega Pieter zegt: “Als we nu de kinderen laten weghalen dan is de kans groot dat ze hun
ouders helemaal uit het oog verliezen.” Volgens hem weegt voor de kinderen het gemis van de
ouders zwaarder dan het stoppen van de verwaarlozing en mishandeling. Collega Sanne stelt: “We
moeten de kinderen uit huis plaatsen. De ouders hebben de kinderen uitsluitend als middel gebruikt
en niet ook als doel, en dat is in strijd met de categorisch imperatief.” Welke normatieve theorieën
hanteren achtereenvolgens Pieter en Sanne?
A. Pieter de deugdethiek. Sanne het utilisme
B. Pieter de deugdethiek. Sanne de plichtethiek
C. Pieter het utilisme. Sanne de deugdethiek
D. Pieter het utilisme. Sanne de plichtethiek.
, H3.
1. Van welke ethiek is dialoogethiek een vorm?
A. Deugdethiek
B. Plichtethiek.
C. Gevolgenethiek
D. Geen van bovengenoemde vormen
2. Stelling 1: Dialoogethiek is de beste manier om met verschillen om te gaan. Stelling 2:
Dialoogethiek streeft naar maximale overeenstemming tussen zoveel mogelijk mensen. Zijn de
genoemde stellingen juist of onjuist?
A. Stelling 1 is juist
B. Stelling 2 is juist
C. Beide stellingen zijn juist
D. Geen van beide stellingen is juist
3. Stel, de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt betrokkenheid van ouders bij de
school van hun kinderen verplicht. Welke stelling is juist?
A. De overheid maakt een rechtsnorm tot een morele norm
B. De overheid maakt van een rechtsnorm een basisrecht
C. De overheid maakt van een morele norm een rechtsnorm
D. De overheid maakt van een morele norm een basisrecht
4. Wat zien Cohen en Arato als het hart van democratiseringsprocessen?
A. Political society
B. Civil society
C. Economical society
D. Geen van bovengenoemde antwoorden
5. Stelling 1: . De drie soorten basisrechten vormen een noodzakelijke voorwaarde voor
dialoogethiek. Stelling 2: De verhouding tussen basisrechten en morele normen kun je ook
weergeven als de verhouding tussen onze rol als burger en als onderdaan. Welke van de genoemde
stellingen is juist?
A. Stelling 1 is juist
B. Stelling 2 is juist
C. Beide stellingen zijn juist
D. Geen van beide stellingen is juist
H5.
1. In hoofdstuk 5 van het handboek wordt uitvoerig ingegaan op de casus van Aad en Liesbeth, die
hun kinderwens voorleggen aan sociaal werker Anja. Anja gaat in het contact met Aad en Liesbeth uit
van haar beroepscode (art. 1). Tot welke ethiek hoort deze benadering?
A. Gevolgenethiek
B. Deugdethiek
C. Plichtsethiek