Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Sociaal- en Crossculturele Psychologie

Beoordeling
-
Verkocht
2
Pagina's
55
Geüpload op
22-11-2014
Geschreven in
2013/2014

Begint in het Nederlands, gaat over in het Engels

Voorbeeld van de inhoud

Hoofdstuk 3: Sociale Perceptie
Sociale perceptie is het proces waarin we informatie verzamelen en interpreteren over het
individuele karakter van een ander.

SOCIALE PERCEPTIE: hoe vormen wij impressies over hoe andere mensen zijn?
In onderzoek van Asch komt naar voren dat de woorden ‘warm’ en ‘koud’ belangrijk zijn bij het
beschrijven van een persoon: dit zijn centrale trekken.
Perifere trekken zijn trekken waarbij geen belangrijke verandering voorkomt bij het interpreteren
van iemand persoonlijkheid.
Ook is het belangrijk in welke volgorde de persoonlijkheidskenmerken worden getoond. De eerst
getoonde informatie heeft meer invloed op sociale perceptie. Dit is het primacy effect. Bij het
verwerken van informatie gaan mensen dus niet rustig alle informatiedeeltjes een voor een langs
(=sommation), maar gaan ze impliciet opzoek naar hoe verschillende persoonlijkheidskenmerken
samengaan: implicit personality
Het configural model duidt aan dat sociale waarnemers (wij) actief op zoek gaan naar een diepere
betekenis van verschillende stukjes informatie die we over andere mensen krijgen. Centrale trekken
trekken niet gewoon meer aandacht, maar veranderen de interpretatie van andere woorden.
Het cognitive algebra model suggereert dat al die verschillende stukjes informatie eenvoudig naar
een gemiddelde worden getrokken. Averaging is dan dus ook het zoeken naar een gemiddelde
waarde van deeltjes informatie over een persoon. Als informatie sterk positief is, zal iets minder
positieve informatie de impressie over een persoon minder positief maken.
Toch gaat dit allemaal niet zo bewust als we denken. Ook gaven de experimenten van Asch het echte
leven niet goed weer, omdat er geen interactie was tussen personen. In het echte leven pas je je
gedrag aan aan je gevoelens tegenover die persoon. Onze impressie over een ander kan dus leiden
tot self-fulfilling prophecy: een eigenlijk verkeerde verwachting leidt tot zijn eigen bevestiging.

ATTRIBUTIETHEORIE
Wij hebben de neiging om motieven te zien achter het gedrag van mensen. Dit gaat bijna zo
automatisch dat we het soms moeilijk vinden om te negeren (denk maar eens terug aan het filmpje
dat we bij ‘Overzicht van de Psychologie’, maar ook bij dit vak hebben gezien, waarbij twee figuurtjes
over het beeld bewegen. Je bedenkt er meteen een verhaaltje bij).
Ook is er een speciale regio in de hersenen die bewegingspatronen opspoort die typisch doelbewust
gedrag aanduiden (=temporo-parietal junction).
Causale attributie is het process waarbij sociale waarnemers conclusies trekken over waarom
iemand zich op een bepaalde manier gedraagt. Hierbij hoort de observer die het gedrag van een
actor uitlegt ten opzichte van een menselijk/niet menselijk object/entity.
Wanneer de actor en de observer dezelfde persoon zijn, heet dit zelf-attributie. Attributie onderzoek
gaat over wat waarnemers concluderen over waarom actoren doen wat ze doen (in plaats van over
waarom actoren doen wat ze doen). Volgens de attributietheorie zijn wij allemaal
amateurpsychologen die proberen elkaars gedrag te verklaren. Voorbeeldje: een vriend (actor) heeft
zijn stufi opgemaakt door het kopen van een camera (entiteit). Dit kan er voor zorgen dat jij
(observer) je gaat afvragen waarom hij deze aankoop heeft gedaan.
Volgens Heider (leader in the field) zijn mensen bijna alleen maar bezig met het identificeren van
gedrag van anderen. De conclusies die we hieruit opmaken helpen ons op twee manieren: ten eerste
maakt het ons mogelijk om veel ongeorganiseerde informatie over anderen samen te voegen. Ten
tweede kunnen we hierdoor toekomstig gedrag voorspellen en soms zelfs controleren.

,*Correspondent inference theory: corresponderende gevolgtrekkinstheorie
Jones en Davis hebben de attributietheorie van Heider meer systematisch gemaakt. Net als Heider
waren ze het eens dat waarnemers het beste leren van gedrag van de actor.
Ze voegden er echter wat aan toe: wij schrijven intenties toe aan een onderliggende dispositie van
iemands bewuste gedrag.
Dit wordt de correspondent inference theory genoemd.
Deze correspondent inference theory zegt dat mensen proberen uit te zoeken waarom een actor díe
bepaalde beslissing heeft gemaakt en geen andere. We overwegen gedragsopties die mogelijk waren
voor de actor op het moment dat hij een beslissing nam. Hierbij vergelijken we de gevolgen van de
gekozen actie met die van niet-gekozen acties. Dit heet de analysis of non-common effects.
Ook zijn we meer geïnteresseerd in het uitleggen van ongewone gebeurtenissen dan in het uitleggen
van voorspelbare gebeurtenissen: we leggen ze uit door ze te vergelijken met gebeurtenissen
waarvan we denken dat die normaal zouden zijn gebeurd.

Het is niet waar dat de correspondent inference theory optreedt wanneer actors vrij zijn om hun
gedrag te kiezen: in een experiment moesten twee groepen de mening beoordelen van een student
over Fidel Castro. Tegen de ene groep was gezegd dat de student zelf had gekozen welke mening hij
had opgeschreven, tegen de andere groep was gezegd dat de student niet mocht kiezen; hij móest
gewoon pro-Castro argumenten opschrijven. Deelnemers in de laatste groep concludeerden dat de
student vóór Castro was, zelfs wanneer ze wisten dat deze mening kon worden uitgelegd door de
situatie. Mensen overschatten persoonlijke oorzaken en onderschatten situationele oorzaken. Dit is
de correspondence bias.

*Covariation theory: hoe wegen wij verschillende mogelijke oorzaken van gedrag tegen elkaar af?
Volgens de convariatie theorie zoeken waarnemers oorzaken van gedrag door data te verzamelen
over vergelijkbare zaken: persoonlijkheid, object of situatie.
We zoeken uit wat een effect veroorzaakte door te observeren welke factoren wel en welke niet
worden geassocieerd met de gebeurtenis. Hiervoor moet je 3 dingen weten:
1. Distinctiveness information: doet iemand iets alleen hier, of ook bij andere situaties?
2. Consistency information: vindt/doet iemand dit alleen op dit moment, of doet hij dit altijd?
3. Consensus information: vindt/doet alleen diegene dit, of vinden vele anderen dit ook?
Het volgen van dit patroon leidt ook tot een grotere activatie van de superieure temporale sulcus
regio: dezelfde regio in de hersenen die bewegingspatronen opspoort die typisch doelbewust gedrag
aanduidt (hierboven al eens beschreven onder het stukje over de attributietheorie)

1. Bij low distinctiveness, high consistency en low consensus kun je een persoonlijke attributie maken
2. Bij low distrinctiveness, low consistency en high consensus kun je een context attributie maken
3. Bij high distinctiveness, high consistency en high distinctiveness kun je een object attributie maken
4. Bij low distinctiveness, high consistency en high distinctiveness kun je een persoon-object attributie
maken.

Toch zijn verschillende patronen in consensus, consistency en distinctiveness (=CCD) niet altijd
logisch en samenhangend. Voorbeeldje: bij lage consensus (weten dat andere mensen de
attributietheorie niet saai vinden), lage consistency (Henk zegt alleen tegen Jan dat attributietheorie
saai is) en hoge distinctiveness (Henk vindt andere dingen niet saai) zou je afleiden dat er iets aan Jan
is wat maakt dat Henk zegt dat attributietheorie saai is. ECHTER, het zelfde patroon van informatie
kan ook worden gezien als een specifieke relatie tussen Henk en Jan (=persoon-context interactie).
Hier moet je dus meer informatie verzamelen (bijvoorbeeld hoe andere mensen zich gedragen tegen
Jan). Eigenlijk is deze hele convariatietheorie een beetje vreemd: zo systematisch verzamelen wij
geen informatie over oorzaken van het gedrag van anderen.
Leader in the field: Kelley met zijn convariatietheorie.

, *Toegang tot de convariatietheorie: niet altijd is alle convariatie informatie beschikbaar
We vullen zelf misssende informatie in door te kijken naar bestaande ideeën: causale schema’s.
We kijken niet meer verder naar alternatieve oorzaken als we de factoren al kennen: een factor is
vaak snel gevonden: discounting principle (een fietser gaat zo hard omdat hij van een heuvel gaat).
Ideeën over oorzakelijkheid onder deze ‘makkelijkere’ omstandigheden worden gerepresenteerd
door a multiple sufficient causes schema. Als resultaten afhangen van de gelijktijdige aanwezigheid
van meerdere resultaten die moeilijk zijn om te realiseren, gebruiken we juist een multiple necessary
causes schema, wat ons aanmoedigt om verder te zoeken naar oorzaken, zelfs als we er al een
hebben gevonden. Het augmenting principle staat tegenover de discounting principle. Oorzakelijke
factoren moeten sterker zijn wanneer er een remmende invloed is op een geobserveerd effect. Zie
theoriebox 3.1 op pagina 66 voor een schema van deze discounting- en augmenting principes.

*Kennis, verwachting en convariatie: hoe gebruiken we domein-specifieke kennis om onze attributies
te leiden? --In feite is er weinig bewijs dat mensen spontaan CCD informatie verzamelen, zelfs
wanneer het beschikbaar is. CCD informatie kan je alleen vertellen of de actor, het object of de
situatie (of een combi hiervan) de gebeurtenis veroorzaakte, maar niet waarom de actor, het object
of de situatie het veroorzaakte. We hebben al verwachtingen die zich op een bepaalde manier zullen
uiten en gebruikt kunnen worden in een verwijzingspunt voor onze attributies.
Mensen willen over het algemeen het antwoord op een meer specifieke vraag (waarom gebeurde dit
inplaats van dat wat normaal gesproken gebeurt?) in plaats van ‘waarom gebeurde dit wel in plaats
van niet? Dit eerste is het abnormal conditions focus model: mensen willen weten waarom er iets
gebeurt in plaats van datgene dat er normal gesproken zou gebeuren.

*Leren over oorzakelijkheid en het gebruiken van convariatie en oorzakelijke kracht: hoe wordt
oorzakelijke informatie normaalgesproken verkregen?
Een laatste beperking aan de convariatie theorie; correlatie is geen oorzakelijkheid. Het kan dat Y- Z
veroorzaakte, of dat Z- X én Y veroorzaakte. Gelukkig weten we best dat door studeren de zon niet
opeens gaat schijnen, maar de vraag blijft hoe mensen uitzoeken wat precies wat veroorzaakt.
Omdat correlatie geen oorzakelijkheid betekent, moet iets anders convariatie leren aanvullen: een
aangeboren aanleg om waargenomen effecten toe te schrijven aan niet-waarneembare causale
krachten van objecten of gebeurtenissen. Deze causale krachten (causal powers) zijn intrinsieke
bezittingen van een object of gebeurtenis die het mogelijk maken om invloed uit te oefenen op een
ander object of evenement. In andere woorden: wij nemen van nature aan dat associaties tussen
waargenomen gebeurtenissen diepere verborgen processen reflecteren. En daarom zoeken we de
‘natuur’ van die processen eerder dan dat we blijven op het level van een objectieve observatie: we
proberen uit te zoeken wat het is dat sommige dingen andere dingen kunnen beinvloeden.
Probabilistic contrast: het vergelijken van hoe vaak iets voorkomt wanneer je iets wel doet met hoe
vaak iets voorkomt wanneer je iets bepaalds niet doet. Voorbeeldje: een kindje merkt dat naar iets
wijzen kan leiden tot het krijgen van dit object. Dit merkt ze door het te vergelijken met wat er
gebeurt als ze er niet naar wijst.

*Attributies en iets bereiken: wat zijn de consequenties van verschillende attributies voor succes en
falen? Volgens Weiner zijn gevolgtrekkingen over oorzaken van ons succes en falen erg belangrijk
voor onze toekomstelijke verwachtingen, motivaties en emoties. Deze oorzaken van succes of falen
kunnen worden geclassificeerd in
1. Internal/external (=locus): persoonlijk of door situatie
2. Stable/variable (=stability)
3. Controllable/uncontrollable (=controllability)
Succes komt dus niet alleen door gewone intellectuele conclusies, maar ook door onze
verwachtingen en motivatie.
-Mixed mindset: het attribueren van je eigen succes aan internale, stabiele en oncontroleerbare
factoren. Het brengt ver-reikende negatieve consequenties voor levenslange ontwikkeling.

Documentinformatie

Geüpload op
22 november 2014
Aantal pagina's
55
Geschreven in
2013/2014
Type
SAMENVATTING
€4,04
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Egroningen Rijksuniversiteit Groningen
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
87
Lid sinds
11 jaar
Aantal volgers
76
Documenten
16
Laatst verkocht
4 jaar geleden

3,0

9 beoordelingen

5
0
4
3
3
3
2
3
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen