Hoofdstukken 1, 2, 3, 4 en 6
Hoofdstuk 1
Verzorgingsstaat= De overheid bemoeit zich actief met de welvaart en welzijn van haar inwoners.
In een verzorgingsstaat is solidariteit belangrijk.
Solidariteit= Als er bereidheid is in een groep of samenleving om risico’s met elkaar te delen (sharing
the risk)
De verzorgingsstaat steunt op drie belangrijke pijlers:
Goed onderwijs
Goede gezondheidszorg
Sociale zekerheid
Socialezekerheidsstelsel= Alle uitkeringen die mensen verzekeren van een inkomen bij
werkeloosheid, ziekte, ouderdom of arbeidsongeschiktheid.
Dit stelsel wordt grotendeels door werknemers en werkgevers betaald.
Sociale rechtsstaat= Burgers hebben sociale grondrechten
Zoals:
Voldoende werkgelegenheid (art. 19)
Bestaanszekerheid (art. 20)
Een goed leefmilieu (art. 21)
Volksgezondheid (art. 22)
Voldoende woongelegenheid (art. 22)
Goed onderwijs (art. 23)
De plichten die bij sociale grondrechten horen zijn:
Sollicitatieplicht
Het betalen van belasting en premies
Leerplicht
De drie belangrijke partijen van een verzorgingsstaat zijn:
Burgers
Overheid
Werknemers- en werkgeversorganisaties
De overheid is verantwoordelijk voor:
Collectieve voorzieningen, onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting.
Inkomen, voor mensen die daar zelf niet in kunnen voorzien.
Werkgelegenheid, mensen stimuleren om te werken, in het bijzonder voor bepaalde groepen
zoals: mensen met een migratie achtergrond, vrouwen en 50+ers.
Goede arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden.
Het welzijn van mensen.
, Werknemers- en werkgeversorganisaties maken samen afspraken over de arbeidsvoorwaarden.
Werknemers zijn verenigd in vakbonden zoals FNV en CNV. Werkgevers zijn verenigd in
werkgeversorganisaties zoals VNO-NCW en MKB-Nederland.
Vakbonden= Organisaties die de collectieve en individuele belangen van werknemers behartigen.
Sociale partners= Werknemers- en werkgeversorganisaties.
Sociale partners onderhandelen over arbeidsvoorwaarden zoals loon, vakantiedagen en extra sociale
zekerheid.
Afspraken tussen de sociale partners worden vastgelegd in een CAO (collectieve
arbeidsovereenkomst)
Vakcentrale= Een samenwerking van vakbonden.
Hoofdstuk 2
Een verzorgingsstaat kan er ook anders uitzien. In andere landen worden andere keuzes gemaakt.
Zo zijn er 3 “modellen”:
In het Angelsaksische model staat vrijemarktmechanisme centraal. De belastingen zijn laag,
mensen moeten zichzelf verzekeren en de overheid bemoeit zich nauwelijks met de
economie.
Het Scandinavische model laat een sterke overheid zien. Deze landen kennen een ver
doorgevoerde verzorgingsstaat met hoge belastingen. Hier staan hoog uitkeringen en riante
verlofregelingen tegenover.
In het Rijnlandse model wordt het ideale midden gezocht tussen de bovenstaande twee
modellen. De vrije markt wordt beperkt door afspraken tussen de overheid,
werkgeversorganisaties en vakbonden.
In de 19e eeuw was Nederland volledig gebaseerd op het vrijemarktprincipe. De zwakkeren werden
geholpen door de kerk liefdadigheidsinstellingen of rijke. Zo’n staat noem je een nachtwakersstaat.
Nederland was een nachtwakersstaat van 1850 tot 1950.
Nachtwakersstaat= Staat waarin de overheid zich vooral beperkt tot het handhaven van de
rechtsorde.
Keerzijde van de vrijemarkteconomie:
Lage lonen
16 uur + per dag werken
Werken op zaterdag
Kinderen werken vanaf jonge leeftijd
Christenen-> wilde betere bescherming voor zwakkeren bieden.
Sociaaldemocraten-> streefden naar een sterkere machtspositie van arbeiders.
Liberalen-> wilde minder criminaliteit als gevolg van de armoede.
Eerste sociale wetten:
Armenwet (1854)
Wet tegen kinderarbeid (1874) kinderwetje van Van Houten