Oefentoets H1 t/m H6, wiskunde B, 4vwo
1 Bereken exact de oplossingen:
3
a 3 x 5−36=−3 x2 √ x
2 2
x −4 x −4
2
b =
2 x +5 x + 4
2 Gegeven zijn de functies f ( x )=x +8 en g ( x )=√ 4−x
3
a Bereken exact de coördinaten van het snijpunt van deze grafieken.
3
b Voor welke waarden van p heeft een lijn met vergelijking y=x + p geen snijpunten met de
grafiek van g?
3 Gegeven is de functie f ( x )=¿. Bepaal algebraïsch de vergelijking van de raaklijn aan de grafiek
4
van f ( x) in het punt x=1.
4 Gegeven is de functie:
x−3
1
f ( x )=12−4 ∙
2 ()
3
a Los exact op: f ( x ) <11
3
b Geef aan hoe de grafiek van f ( x ) ontstaan is uit de grafiek van
1 x
()
g ( x )=
2
. (geef aan welke transformatie hebben plaatsgevonden en in welke volgorde)
3 2
5
4
Gegeven zijn de functies: f p ( x )= p x +3 x +2 x
Stel een formule op van de kromme waarop alle toppen van de grafiek van f p ( x ) liggen.
1 Bereken exact de oplossingen:
3
a 3 x 5−36=−3 x2 √ x
2 2
x −4 x −4
2
b =
2 x +5 x + 4
2 Gegeven zijn de functies f ( x )=x +8 en g ( x )=√ 4−x
3
a Bereken exact de coördinaten van het snijpunt van deze grafieken.
3
b Voor welke waarden van p heeft een lijn met vergelijking y=x + p geen snijpunten met de
grafiek van g?
3 Gegeven is de functie f ( x )=¿. Bepaal algebraïsch de vergelijking van de raaklijn aan de grafiek
4
van f ( x) in het punt x=1.
4 Gegeven is de functie:
x−3
1
f ( x )=12−4 ∙
2 ()
3
a Los exact op: f ( x ) <11
3
b Geef aan hoe de grafiek van f ( x ) ontstaan is uit de grafiek van
1 x
()
g ( x )=
2
. (geef aan welke transformatie hebben plaatsgevonden en in welke volgorde)
3 2
5
4
Gegeven zijn de functies: f p ( x )= p x +3 x +2 x
Stel een formule op van de kromme waarop alle toppen van de grafiek van f p ( x ) liggen.