1. Waarom was het werk van Binet in theoretisch opzicht minder van betekenis?
a. Er lag teveel een accent op eindproducten en samenhang met schoolprestaties.
b. Het had een sterk verbaal karakter
c. Er waren geen samenstellende elementen in de intelligentie
2. Wat kon men met de educational achievement test?
a. Prestaties van leerlingen vergelijken met elkaar
b. Prestaties van leerlingen op andere scholen met elkaar vergelijken
c. Leerlingen die achterbleven herkennen en prestaties van verschillende scholen
vergelijken
3. Wat vond Thurstone belangrijk? Kies de juiste stelling:
I. Een test moet vooraf gaan aan de theorie
II. De relatie tussen criteriumgedrag dient van tevoren zijn aangetoond
III. Resultaten moeten kwantificeerbaar zijn, dit is een noodzakelijke voorwaarde
4. Hoe kan de ontwikkeling van de testtheorie in Periode 3 het beste worden samengevat?
a. Testen namen stormachtig toe en er was een accentverschil in Europa en de VS
b. Testen waren nog niet valide en er was een accentverschil in Europa en de VS
c. Intelligentiemetingen boekte vooruitgang en er waren veel groepstesten zoals de Army
Alpha
5. Welke samenwerking leidde tot een toename in tests en een kritische bezinning op de
psychologische principes van testonderzoek?
a. De samenwerking tussen Amerika en Engeland
b. De inschakeling van psychologen voor een keuring bij de krijgsmacht
c. Psychologen die leiderschapskwaliteiten meten in Engeland
6. Waarom waren groepstest zo populair in de VS?
a. Toename selectie en plaatsingsbeginselen en immigranten
b. Toename immigranten en keuzebeslissingen
c. Toename selectie voor krijgsmacht en het leger
7. Wat is de betekenis van ipsatieve scores?
a. Testscores worden op een externe norm betrokken
b. Testscores worden op elkaar betrokken
c. Het gaat om een absolute hoogte van een score
8. Welke stap is operationalisering van de eigenschap om tot een meting te komen?
a. De eerste stap
b. De tweede stap
c. De derde stap
, 9. Wat betekent identificatie van de te meten eigenschap?
a. Wat is de theorie met betrekking tot de gemeten eigenschap
b. Eigenschappen zoals intelligentie worden in kaart gebracht
c. Eigenschappen worden geïdentificeerd en volgens een procedure opgemeten
10. Welke eigenschappen hebben een beperkte theorievorming?
a. Leiderschap, cognitie en intelligentie
b. Sociale intelligentie, creativiteit en enthousiasme
c. Creativiteit, sociale intelligentie en leiderschap
11. Wat is averechtse diagnostiek?
a. Met een correlatie kan een voorspelling worden gedaan indien de score niet correleert
b. Er kan een uitspraak komen over de selectie van een criterium
c. Het werpt een licht op het criterium zelf
12. Onder welke testvorm vallen de tests DAT en GATB?
a. Testbatterijen voor intelligentiefactoren
b. Test voor speciale geschiktheden
c. Test voor geschiktheden
13. Welke stelling is juist?
I. Ravens Progressive Matrices is een test die valt onder de veelvoudige algemene
niveautest
II. Ravens Progressive Matrices is een test die een redeneeraspect meet
III. Ravens Progressive Matrices en de test voor transitief redeneren vallen onder tests
voor speciale intelligentiefactoren
a. I is juist
b. II is juist
c. II en I is juist
d. III en II is juist
14. Wat meet de Prestatie Motivatie-Test?
a. Schoolprestaties
b. Werkprestaties
c. Prestatiemotief
15. Welke drie betekenisdimensies heeft de Osgood schaal?
a. Activiteit, motivatie en evaluatie
b. Potentie, motivatie en evaluatie
c. Evaluatie, potentie en activiteit
16. Waar is de Rep-test op gericht?
a. Sociaal gedrag
b. Sociale begrippen en emotionele betekenis
c. Het meten van constructen