Samenvatting jazz
De relatie tussen jazz en de muziek van de westerse traditie wordt door twee auteurs omschreven.
Ingrid Monson schrijft over het zinvol theoretiseren van jazz improvisatie en Alfred Schutz schrijft dat
er geen verschil is tussen een strijkkwartet en een jazzimprovisatie.
Schutz schreef het essay: Making music together: a study in social relationship. Hij gaat in op de
problematiek van de interactie van de groepspresentaties en dit is tot op de dag van vandaag een
agendapunt. Hij schrijft over de dynamiek van de sociale relaties.
Innerlijke tijd: muziek als performer of luisteraar. Hij legt uit hoe lang geleden 1951 is. Dit doet hij in
1964.
Hij legt het verschil uit tussen outer time (gelijke lengtes) en inner time (geen maatstaven). Hij
gebruikt deze beschrijving voor een solo instrumentalist met een keyboard begeleiding.
Hij verdeelde de muziek in twee aparte delen (Halbwachs):
1. Muziek ervaren door de opgeleide musicus
2. Muziek ervaren door de leek
Muziek zoals wij het beleven in het dagelijks leven is van iedereen (behalve musicologen).
Als musicoloog moet je muziek zien als een tekst. We moeten muziek en tekst los van elkaar zien. Dit
is onder andere losser bij de jazz. Zo heb je het notenschrift en de improvisatie.
Als we willen begrijpen hoe mensen muziek maken, dan moeten we dit niet uit de literatuur halen.
Jazz als culturele oefening: Het zien is bevoorrecht boven het gehoor. Bij jazz gaat het om het
gehoor. Jazz is beter te begrijpen in de relatie met niet muzikale improvisatie oefeningen.
De uitdrukkingen van Johnsons kunnen extreem zijn, maar wel belangrijk voor de jazzwereld.
Schutz heeft echo’s gemaakt. Hier gaat het o.a. over de zwarte benadering van ritme. Zwarten
vertellen een verhaal wanneer ze aan het improviseren zijn.
Aan de ene kant wordt jazz gezien als paradigmatisch en aan de andere kant wordt jazz gezien als
‘kunstmuziek’ die geen ruimte biedt aan de creatieve muzikant waarbij het oor geen rol speelt.
Het grote verschil is muziek als tekst of muziek als performance.
Performance als improvisatie
Leo Treitler omschrijft improvisatie als ‘de uitzondering op iets normaals, voorbereiding, planning,
iets wat in volle gang is.
(jazz) improvisatie als loaded term. Treitler, Berliner (jazz achtergrond) en Sutton (Indiase muziek)
zijn het hier mee eens. Improvisatie als transformational art. Dat betekent eigenlijk dat het niet
zomaar een reproductie is, maar er is een toegevoegde waarde. Het is juist daarom ook niet
minderwaardig. Hij zet zich af tegen Johson Laird (een psycholoog).
Johnson-Laird
o Improvisatie als ‘false art’
(jazz) improvisatie als transformational art (12-14)
,Leugen vanuit een Berlijns onderzoek? Jazzmusici hebben een uitgebreide volkstheorie, waaraan een
groot deel draagt aan de jazz analyse. Een veel voorkomend misverstand is dat improvisatie een
verwerking is van repertoire. Voor Laird is een patroon letterlijk herhaald of is er een variatie op en
met die basis is het moeilijk voor stellen hoe uitvoerenden al die lijnen kunnen onthouden.
Schematisch model van improviseren
Model van pressing
Het is een representatie van de improvisator hoe hij verhuist van E1 naar uiteindelijk een andere
plek. Een referent (tekst) kan een afspraak zijn (bijv. akkoorden). Je hebt teksten/ bronnen die een
aanleiding geven om te improviseren. Dan zijn er allemaal variabelen en als je al deze variabelen zou
kennen, dan kan je een som maken wat voor improvisaties er uit komen. De transformatie is onder
invloed van a de imput die je krijgt.
Hij toont hiermee aan dat er zoveel gebeurt in een optreden dat dit een meerwaarde is. En dat we
daar iets mee moeten doen. Al die variabelen maken dit schema. Ieder stuk dat uit wordt gevoerd
daar wordt in geïmproviseerd.
Het is een improvisatiemodel. Hij gebruikt het in zijn tekst omdat het in live uitvoeringen dat er daar
een meerwaarde (een toegevoegde waarde) in klassieke muziek onderbelicht blijft. Het model van
pressing is een model waarbij hij probeert het proces van improvisatie te vatten. Cook gebruikt dat
model om dat in iedere vorm van muziek een toegevoegde waarde zit. Tijdens de uitvoering gebeurt
van alles en dat dat niet onderbelicht blijft.
Monson vindt dat improvisatie helemaal niet voorkomt in klassieke muziek. Monson focust zich heel
erg op jazz interactie.
Performance as improvisation (10-17) – vervolg
(jazz) improvisatie als sociale interactie/ dialoog (14-15)
o Schutz, Monson, Butterflied, Wadada Leo Smith
o Johnson-Laird daar moet hij tegenaan blijven schoppen.
Klassieke muziek als improvisatie (15-17)
o Sociale interactie (mutual tuning-in)
o interpretatie
, Er is een enorm gewicht komen te liggen op de geschreven partituur. Er is een soort centrisme
ontstaan. Er ligt een enorme verschuiving in wat muziek is.
Growlen
Tacit knowledge: ongeschreven regels. Je moet op dezelfde golflengte komen (stemmen). Dat soort
afspraken staat nergens beschreven.
Nettl ziet het systeem gewoon als een punt van vertrek van de improvisator. Leary zegt dat je wel op
iets moet gaan improviseren en dat je niet met niets kan beginnen.
Wat wordt er bedoeld met de referent?
De verticale hoekjes geven nieuwe punten aan terwijl de horizontale beugel een uitgebreide
onafgebroken zin aantoont door nieuwe punten.
Dezelfde muziek, maar anders bedacht. De lange zin is opgedeeld in kleine groepjes. Elke keer met
een nieuw punt. Het zijn telkens nieuwe gebeurtenissen.
Jazz improvisatie kan worden opgevat als een solo of een collectieve activiteit. Het is de reactie van
de improvisator op zijn eigen spel. Improviseren is alsof iemand in gesprek is met zichzelf.
Gradueel verschil met jazz impliceert dat er geen scherpe lijnen zijn. Er zijn verschillende
grijswaarden. Dat betekent dat je nooit kunnen zeggen hier gebeurt dit en daarin is het geen
jazzpraktijk meer.
Klassieke muziekpraktijk en jazz praktijk en er is een verschil in denken over jazz en het denken over
klassieke muziek.
De relatie tussen jazz en de muziek van de westerse traditie wordt door twee auteurs omschreven.
Ingrid Monson schrijft over het zinvol theoretiseren van jazz improvisatie en Alfred Schutz schrijft dat
er geen verschil is tussen een strijkkwartet en een jazzimprovisatie.
Schutz schreef het essay: Making music together: a study in social relationship. Hij gaat in op de
problematiek van de interactie van de groepspresentaties en dit is tot op de dag van vandaag een
agendapunt. Hij schrijft over de dynamiek van de sociale relaties.
Innerlijke tijd: muziek als performer of luisteraar. Hij legt uit hoe lang geleden 1951 is. Dit doet hij in
1964.
Hij legt het verschil uit tussen outer time (gelijke lengtes) en inner time (geen maatstaven). Hij
gebruikt deze beschrijving voor een solo instrumentalist met een keyboard begeleiding.
Hij verdeelde de muziek in twee aparte delen (Halbwachs):
1. Muziek ervaren door de opgeleide musicus
2. Muziek ervaren door de leek
Muziek zoals wij het beleven in het dagelijks leven is van iedereen (behalve musicologen).
Als musicoloog moet je muziek zien als een tekst. We moeten muziek en tekst los van elkaar zien. Dit
is onder andere losser bij de jazz. Zo heb je het notenschrift en de improvisatie.
Als we willen begrijpen hoe mensen muziek maken, dan moeten we dit niet uit de literatuur halen.
Jazz als culturele oefening: Het zien is bevoorrecht boven het gehoor. Bij jazz gaat het om het
gehoor. Jazz is beter te begrijpen in de relatie met niet muzikale improvisatie oefeningen.
De uitdrukkingen van Johnsons kunnen extreem zijn, maar wel belangrijk voor de jazzwereld.
Schutz heeft echo’s gemaakt. Hier gaat het o.a. over de zwarte benadering van ritme. Zwarten
vertellen een verhaal wanneer ze aan het improviseren zijn.
Aan de ene kant wordt jazz gezien als paradigmatisch en aan de andere kant wordt jazz gezien als
‘kunstmuziek’ die geen ruimte biedt aan de creatieve muzikant waarbij het oor geen rol speelt.
Het grote verschil is muziek als tekst of muziek als performance.
Performance als improvisatie
Leo Treitler omschrijft improvisatie als ‘de uitzondering op iets normaals, voorbereiding, planning,
iets wat in volle gang is.
(jazz) improvisatie als loaded term. Treitler, Berliner (jazz achtergrond) en Sutton (Indiase muziek)
zijn het hier mee eens. Improvisatie als transformational art. Dat betekent eigenlijk dat het niet
zomaar een reproductie is, maar er is een toegevoegde waarde. Het is juist daarom ook niet
minderwaardig. Hij zet zich af tegen Johson Laird (een psycholoog).
Johnson-Laird
o Improvisatie als ‘false art’
(jazz) improvisatie als transformational art (12-14)
,Leugen vanuit een Berlijns onderzoek? Jazzmusici hebben een uitgebreide volkstheorie, waaraan een
groot deel draagt aan de jazz analyse. Een veel voorkomend misverstand is dat improvisatie een
verwerking is van repertoire. Voor Laird is een patroon letterlijk herhaald of is er een variatie op en
met die basis is het moeilijk voor stellen hoe uitvoerenden al die lijnen kunnen onthouden.
Schematisch model van improviseren
Model van pressing
Het is een representatie van de improvisator hoe hij verhuist van E1 naar uiteindelijk een andere
plek. Een referent (tekst) kan een afspraak zijn (bijv. akkoorden). Je hebt teksten/ bronnen die een
aanleiding geven om te improviseren. Dan zijn er allemaal variabelen en als je al deze variabelen zou
kennen, dan kan je een som maken wat voor improvisaties er uit komen. De transformatie is onder
invloed van a de imput die je krijgt.
Hij toont hiermee aan dat er zoveel gebeurt in een optreden dat dit een meerwaarde is. En dat we
daar iets mee moeten doen. Al die variabelen maken dit schema. Ieder stuk dat uit wordt gevoerd
daar wordt in geïmproviseerd.
Het is een improvisatiemodel. Hij gebruikt het in zijn tekst omdat het in live uitvoeringen dat er daar
een meerwaarde (een toegevoegde waarde) in klassieke muziek onderbelicht blijft. Het model van
pressing is een model waarbij hij probeert het proces van improvisatie te vatten. Cook gebruikt dat
model om dat in iedere vorm van muziek een toegevoegde waarde zit. Tijdens de uitvoering gebeurt
van alles en dat dat niet onderbelicht blijft.
Monson vindt dat improvisatie helemaal niet voorkomt in klassieke muziek. Monson focust zich heel
erg op jazz interactie.
Performance as improvisation (10-17) – vervolg
(jazz) improvisatie als sociale interactie/ dialoog (14-15)
o Schutz, Monson, Butterflied, Wadada Leo Smith
o Johnson-Laird daar moet hij tegenaan blijven schoppen.
Klassieke muziek als improvisatie (15-17)
o Sociale interactie (mutual tuning-in)
o interpretatie
, Er is een enorm gewicht komen te liggen op de geschreven partituur. Er is een soort centrisme
ontstaan. Er ligt een enorme verschuiving in wat muziek is.
Growlen
Tacit knowledge: ongeschreven regels. Je moet op dezelfde golflengte komen (stemmen). Dat soort
afspraken staat nergens beschreven.
Nettl ziet het systeem gewoon als een punt van vertrek van de improvisator. Leary zegt dat je wel op
iets moet gaan improviseren en dat je niet met niets kan beginnen.
Wat wordt er bedoeld met de referent?
De verticale hoekjes geven nieuwe punten aan terwijl de horizontale beugel een uitgebreide
onafgebroken zin aantoont door nieuwe punten.
Dezelfde muziek, maar anders bedacht. De lange zin is opgedeeld in kleine groepjes. Elke keer met
een nieuw punt. Het zijn telkens nieuwe gebeurtenissen.
Jazz improvisatie kan worden opgevat als een solo of een collectieve activiteit. Het is de reactie van
de improvisator op zijn eigen spel. Improviseren is alsof iemand in gesprek is met zichzelf.
Gradueel verschil met jazz impliceert dat er geen scherpe lijnen zijn. Er zijn verschillende
grijswaarden. Dat betekent dat je nooit kunnen zeggen hier gebeurt dit en daarin is het geen
jazzpraktijk meer.
Klassieke muziekpraktijk en jazz praktijk en er is een verschil in denken over jazz en het denken over
klassieke muziek.