Present Simple
Vorm:
he/she/it: +s
he/she/it: +es (na een werkwoord op -s, -sh, -ch, -x) kisses, fishes, watches, fixes
he/she/it: y → ies (na een werkwoord op een medeklinker + -y) hurry–hurries
ontkenning: don’t/doesn’t (he/she/it) He doesn’t play football on Saturdays.
vragen: do-don’t/does-doesn’t (he/she/it) Don’t you go to English class on
Wednesdays? – Do you like travelling?
korte antwoorden: do-don’t/does-doesn’t (he/she/it) Yes I do./No, I don’t.
Gebruik:
Beschrijft situaties van permanente aard (feit) of met regelmaat terugkerende
gebeurtenissen (gewoonte).
The sun rises in the east.
I often go on holidays to Spain.
The train to Rotterdam departs every fifteen minutes.
Vaak worden tijdsaanduidingen gebruikt. Tijdsaanduidingen die uit één woord
bestaan staan meestal vóór het hoofdwerkwoord; die uit meerdere woorden bestaan
staan aan het begin of aan het eind van de zin.
always, usually, normally, mostly, often, sometimes, rarely, never, hardly ever, every day, every
morning, every time, on Monday(s), on weekdays, at weekends
Present Continuous
Vorm:
vorm van ‘be’ + werkwoord + -ing
ontkenning: vorm van ‘be’ + ‘nt/not + werkwoord + -ing My daughter isn’t watching
tv.
vragen: vorm van ‘be’ + onderwerp + werkwoord + -ing Are you eating a chicken
sandwich?
korte antwoorden: vorm van ‘be’ Yes, I am./No, I’m not.
Gebruik:
Beschrijft handelingen en gebeurtenissen die op dat moment aan de gang zijn, of
situaties van tijdelijke aard (in het Nederlands: aan het…).
I’m doing the dishes.
It’s raining.
Karin’s staying at home this week.
At the moment I’m reading the grammar handout.
Vaak worden tijdsaanduidingen gebruikt. Tijdsaanduidingen die uit één woord
bestaan staan meestal vóór het hoofdwerkwoord; die uit meerdere woorden bestaan
staan aan het begin of aan het eind van de zin.
now, at the moment, just, today, this week, this month, this year, this summer, these days
, Past Simple
Vorm:
‘be’: was (I, he/she/it)/were
regelmatige werkwoorden: +-ed
ontkenning: ‘be’: wasn’t/weren’t, de rest: didn’t + infinitief We weren’t at home last
night. – We didn’t go to the theatre last month.
vragen/korte antwoorden: ‘be’: was(n’t)/were(n’t), de rest: did(n’t) + infinitief
Were you at the party? Yes, I was./No, I wasn’t. – Did Ed phone? Yes, he did./No, he didn’t.
Gebruik:
Beschrijft afgesloten gebeurtenissen en situaties in het verleden.
We moved to New York in 1998.
Did you go to Canberra College? No, I didn’t. I went to Townsville High.
Vaak worden tijdsaanduidingen gebruikt. Tijdsaanduidingen die uit één woord
bestaan staan meestal vóór het hoofdwerkwoord; die uit meerdere woorden bestaan
staan aan het begin of aan het eind van de zin.
yesterday, when, last…(week, month, night, weekend, Tuesday), …ago (two weeks ago, a few hours
ago, ten years ago), tijdstippen en data in het verleden
Past Continuous
Vorm:
was/were + werkwoord + -ing
ontkenning: wasn’t/weren’t + werkwoord + -ing It wasn’t raining anymore when I left
the office. – They weren’t playing tennis.
vragen/korte antwoorden: Were they watching football? Yes, they were./No, they
weren’t.
Gebruik:
Beschrijft handelingen of gebeurtenissen die op een bepaald moment in het verleden
aan de gang waren, of situaties van tijdelijke aard in het verleden.
What were you doing in Tim’s room all that time? I was reading to him.
We were living with friends because our new flat wasn’t ready.
Past Continuous en Past Simple in één zin:
Wanneer beide vormen in één zin worden gebruikt, beschrijft de Past Continuous
een handeling of situatie die al aan de gang was (de achtergrondsituatie), terwijl de
Past Simple een beschrijft die zich daarbij (plotseling) voordeed.
We were driving along when suddenly a cyclist appeared in front of us.
When I arrived at the party, everybody was dancing.
Maar: gebeurtenissen of handelingen die na elkaar plaats vonden staan in de Past
Simple.
First we had dinner and later on we went for a walk.