Methodologie CIW: samenvatting collegeaantekeningen
Collegeaantekeningen 1
Wetenschap leidt tot inzicht in de werkelijkheid, zowel door concrete kennis over de
werkelijkheid als door theorieën, samenhangende conceptuele inzichten in een deel van de
werkelijkheid. Deze theorieën zijn resultaten van onderzoek, maar geven ook sturing aan
verder onderzoek. De beste kennis en de beste theorieën zijn herhaaldelijk en systematisch
getoetst aan de werkelijkheid (dit is het empirische karakter van wetenschap). Kennis die niet
toetsbaar is, wordt dan ook beschouwd als niet wetenschappelijk.
Omdat de werkelijkheid niet in zijn totaliteit te onderzoeken is, zijn er verschillende
wetenschapsgebieden, zoals de natuurkunde, psychologie en communicatiewetenschap. Elk
gebied heeft een object dat onderzocht wordt. Als verschillende gebieden samenwerken heet
dit multi- of interdisciplinair.
Er zijn verschillende criteria voor de wetenschappelijk onderzoek:
waar (controleerbaar in overstemming met de werkelijkheid, heeft verband met het
empirische karakter van wetenschap)
maximaal informatief (afgebakend, niet vaag, nieuw of innovatief)
eenvoudig (niet onnodig ingewikkeld)
geldig (geen interne tegenspraak (consistent), heeft verband met het logische karakter
van wetenschap)
bruikbaar (informatie heeft mogelijk consequenties voor de praktijk, geldt bij toegepaste
wetenschap)
In wetenschappelijk onderzoek beantwoord je op een systematische, vernieuwende en
kritische manier vragen, waarbij gegevens een centrale rol spelen.
Methodologie is de leer van de vormen van onderzoek, de manieren waarmee je een doel kunt
bereiken in onderzoek. Centraal staat hierbij de probleemstelling, die een doelstelling
(waarom doe ik dit onderzoek?) en een vraagstelling (welke concrete vraag probeer ik te
beantwoorden) omvat. Er zijn verschillende soorten vraagstellingen, namelijk:
exploratief (hoe zou ’t kunnen zitten met ...?)
descriptief (hoe ziet het eruit, hoe zit het in elkaar?)
verklarend (waarom werkt het zo?)
normatieve vragen (hoe kan iets het beste gedaan worden?)
meet(technische) vragen (hoe kun je ... vaststellen?)
Er zijn verschillende vormen van wetenschappelijk onderzoek, die onderscheiden worden aan
de hand van verschillende factoren:
Empirisch/normatief: empirisch onderzoek is gericht op feitelijk inzicht in het
onderzochte object, normatief onderzoek op het stellen van normen/criteria voor het
object.
Nomothetisch/idiografisch: nomothetisch onderzoek is gericht op algemene
wetmatigheden, idiografisch onderzoek op specifieke gevallen.
Verkennend/beschrijvend/toetsend: verkennend onderzoek is gericht op het aftasten van
gegevens op zoek naar patronen, beschrijvend onderzoek op het systematisch in kaart
brengen van onderzochte verschijnselen, toetsend onderzoek op het controleren van
bestaande ideeën.
Kwalitatief/kwantitatief: kwalitatief onderzoek is gericht op de aard van het onderzochte
proces (woorden, patronen), kwantitatief onderzoek op precieze tellingen van variabele
eigenschappen (cijfers, statistiek).
, Empirisch/instrumenteel: empirisch onderzoek richt zich op het toetsen van de
werkelijkheid, instrumenteel onderzoek op het ontwikkelen van instrumenten en
onderzoeksmethoden.
Fundamenteel/toegepast: fundamenteel onderzoek is gericht op inzicht in de
verschijnselen op zichzelf, toegepast onderzoek op praktijkproblemen.
Onderzoekers hebben verschillende redenen om een bepaald verschijnsel te onderzoeken,
zoals:
Eigen gedrevenheid: de interesse van de onderzoeker voor een bepaald verschijnsel.
Voortbouwen op vakkennis: onderzoekers bouwen voort op het onderzoek van hun
voorgangers en formuleren hun vraagstellingen aan de hand van de vakliteratuur.
Praktijkproblemen: deze problemen leiden vaak tot toegepast onderzoek, waarin gezocht
wordt naar een oplossing.
In onderzoek moeten de volgende fasen worden doorlopen:
1. formulering probleemstelling plus motivering daarvoor
2. ontwerp van een werkwijze
3. uitvoering van die werkwijze, resulterend in data
4. analyse / interpretatie van die data, leidend tot
5. conclusies = beantwoording vraagstelling
6. verslaglegging van de fasen 1 – 6
Het ontwerp van het onderzoek wordt gemaakt aan de hand van de volgende vragen:
Welke gegevens heb je nodig om de vraag te beantwoorden?
Hoe kun je aan die gegevens komen?
Wat ga je met die gegevens doen/hoe denk je dat je door die gegevens iets kunt
concluderen?
Collegeaantekeningen 2
In de wetenschap is een uitspraak waar als de uitspraak correspondeert met de feiten. Dit
heet de correspondentie-opvatting. In onderzoek is een uitspraak waar als de gegevens waar
zijn. Dit is soms lastig te bepalen, vooral als het gaat om generalisaties (bijv. “meisjes leren
hun moedertaal sneller dan jongens”), omdat het niet direct duidelijk is wat zo’n uitspraak
inhoudt. Er worden verschillende soorten uitspraken onderscheiden:
Universele uitspraken: alle X zijn Y / als iets X is, dan is X ook Y. Deze uitspraken kunnen
nooit absoluut worden bewezen, maar wel absoluut worden ontkracht (gefalsifieerd),
omdat één tegenvoorbeeld voldoende is.
Existentiële uitspraken: er bestaat een X / soms komt er een X voor / er bestaat een X die
Y is. Deze uitspraken kunnen nooit absoluut worden ontkracht, maar wel absoluut
worden bewezen (geverifieerd), omdat één voorbeeld voldoende is.
Probabilistische uitspraken: de meeste X zijn Y / 80% van de X is Y / de meeste X zijn Y,
maar een klein deel van de X is Z. Deze uitspraken kunnen niet absoluut ontkracht
worden een ook niet absoluut bewezen. Hun relatieve waarschijnlijkheid moet worden
aangetoond d.m.v. statistiek.
Een paradigma is een abstracte grondslag voor een vakgebied. Hierbinnen zijn er vaak
theorieën.
Het verschil tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek kan vanuit verschillende
invalshoeken worden bekeken. Bij de pragmatische opvatting gaat het vooral om de
verschillende soorten vragen die worden beantwoord. In kwantitatief onderzoek wordt vooral
gewerkt met cijfermateriaal, in kwalitatief onderzoek met ander materiaal. Volgens de
principiële opvatting is kwalitatief onderzoek gericht op de zo natuurlijk mogelijke
beschrijving van situaties en kwantitatief onderzoek op generalisaties. Het onderscheid
Collegeaantekeningen 1
Wetenschap leidt tot inzicht in de werkelijkheid, zowel door concrete kennis over de
werkelijkheid als door theorieën, samenhangende conceptuele inzichten in een deel van de
werkelijkheid. Deze theorieën zijn resultaten van onderzoek, maar geven ook sturing aan
verder onderzoek. De beste kennis en de beste theorieën zijn herhaaldelijk en systematisch
getoetst aan de werkelijkheid (dit is het empirische karakter van wetenschap). Kennis die niet
toetsbaar is, wordt dan ook beschouwd als niet wetenschappelijk.
Omdat de werkelijkheid niet in zijn totaliteit te onderzoeken is, zijn er verschillende
wetenschapsgebieden, zoals de natuurkunde, psychologie en communicatiewetenschap. Elk
gebied heeft een object dat onderzocht wordt. Als verschillende gebieden samenwerken heet
dit multi- of interdisciplinair.
Er zijn verschillende criteria voor de wetenschappelijk onderzoek:
waar (controleerbaar in overstemming met de werkelijkheid, heeft verband met het
empirische karakter van wetenschap)
maximaal informatief (afgebakend, niet vaag, nieuw of innovatief)
eenvoudig (niet onnodig ingewikkeld)
geldig (geen interne tegenspraak (consistent), heeft verband met het logische karakter
van wetenschap)
bruikbaar (informatie heeft mogelijk consequenties voor de praktijk, geldt bij toegepaste
wetenschap)
In wetenschappelijk onderzoek beantwoord je op een systematische, vernieuwende en
kritische manier vragen, waarbij gegevens een centrale rol spelen.
Methodologie is de leer van de vormen van onderzoek, de manieren waarmee je een doel kunt
bereiken in onderzoek. Centraal staat hierbij de probleemstelling, die een doelstelling
(waarom doe ik dit onderzoek?) en een vraagstelling (welke concrete vraag probeer ik te
beantwoorden) omvat. Er zijn verschillende soorten vraagstellingen, namelijk:
exploratief (hoe zou ’t kunnen zitten met ...?)
descriptief (hoe ziet het eruit, hoe zit het in elkaar?)
verklarend (waarom werkt het zo?)
normatieve vragen (hoe kan iets het beste gedaan worden?)
meet(technische) vragen (hoe kun je ... vaststellen?)
Er zijn verschillende vormen van wetenschappelijk onderzoek, die onderscheiden worden aan
de hand van verschillende factoren:
Empirisch/normatief: empirisch onderzoek is gericht op feitelijk inzicht in het
onderzochte object, normatief onderzoek op het stellen van normen/criteria voor het
object.
Nomothetisch/idiografisch: nomothetisch onderzoek is gericht op algemene
wetmatigheden, idiografisch onderzoek op specifieke gevallen.
Verkennend/beschrijvend/toetsend: verkennend onderzoek is gericht op het aftasten van
gegevens op zoek naar patronen, beschrijvend onderzoek op het systematisch in kaart
brengen van onderzochte verschijnselen, toetsend onderzoek op het controleren van
bestaande ideeën.
Kwalitatief/kwantitatief: kwalitatief onderzoek is gericht op de aard van het onderzochte
proces (woorden, patronen), kwantitatief onderzoek op precieze tellingen van variabele
eigenschappen (cijfers, statistiek).
, Empirisch/instrumenteel: empirisch onderzoek richt zich op het toetsen van de
werkelijkheid, instrumenteel onderzoek op het ontwikkelen van instrumenten en
onderzoeksmethoden.
Fundamenteel/toegepast: fundamenteel onderzoek is gericht op inzicht in de
verschijnselen op zichzelf, toegepast onderzoek op praktijkproblemen.
Onderzoekers hebben verschillende redenen om een bepaald verschijnsel te onderzoeken,
zoals:
Eigen gedrevenheid: de interesse van de onderzoeker voor een bepaald verschijnsel.
Voortbouwen op vakkennis: onderzoekers bouwen voort op het onderzoek van hun
voorgangers en formuleren hun vraagstellingen aan de hand van de vakliteratuur.
Praktijkproblemen: deze problemen leiden vaak tot toegepast onderzoek, waarin gezocht
wordt naar een oplossing.
In onderzoek moeten de volgende fasen worden doorlopen:
1. formulering probleemstelling plus motivering daarvoor
2. ontwerp van een werkwijze
3. uitvoering van die werkwijze, resulterend in data
4. analyse / interpretatie van die data, leidend tot
5. conclusies = beantwoording vraagstelling
6. verslaglegging van de fasen 1 – 6
Het ontwerp van het onderzoek wordt gemaakt aan de hand van de volgende vragen:
Welke gegevens heb je nodig om de vraag te beantwoorden?
Hoe kun je aan die gegevens komen?
Wat ga je met die gegevens doen/hoe denk je dat je door die gegevens iets kunt
concluderen?
Collegeaantekeningen 2
In de wetenschap is een uitspraak waar als de uitspraak correspondeert met de feiten. Dit
heet de correspondentie-opvatting. In onderzoek is een uitspraak waar als de gegevens waar
zijn. Dit is soms lastig te bepalen, vooral als het gaat om generalisaties (bijv. “meisjes leren
hun moedertaal sneller dan jongens”), omdat het niet direct duidelijk is wat zo’n uitspraak
inhoudt. Er worden verschillende soorten uitspraken onderscheiden:
Universele uitspraken: alle X zijn Y / als iets X is, dan is X ook Y. Deze uitspraken kunnen
nooit absoluut worden bewezen, maar wel absoluut worden ontkracht (gefalsifieerd),
omdat één tegenvoorbeeld voldoende is.
Existentiële uitspraken: er bestaat een X / soms komt er een X voor / er bestaat een X die
Y is. Deze uitspraken kunnen nooit absoluut worden ontkracht, maar wel absoluut
worden bewezen (geverifieerd), omdat één voorbeeld voldoende is.
Probabilistische uitspraken: de meeste X zijn Y / 80% van de X is Y / de meeste X zijn Y,
maar een klein deel van de X is Z. Deze uitspraken kunnen niet absoluut ontkracht
worden een ook niet absoluut bewezen. Hun relatieve waarschijnlijkheid moet worden
aangetoond d.m.v. statistiek.
Een paradigma is een abstracte grondslag voor een vakgebied. Hierbinnen zijn er vaak
theorieën.
Het verschil tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek kan vanuit verschillende
invalshoeken worden bekeken. Bij de pragmatische opvatting gaat het vooral om de
verschillende soorten vragen die worden beantwoord. In kwantitatief onderzoek wordt vooral
gewerkt met cijfermateriaal, in kwalitatief onderzoek met ander materiaal. Volgens de
principiële opvatting is kwalitatief onderzoek gericht op de zo natuurlijk mogelijke
beschrijving van situaties en kwantitatief onderzoek op generalisaties. Het onderscheid