Gezondheidsrecht week 1
Literatuur HC1
Hoofdstuk 1
Het recht: (1) ordent menselijk gedrag door het stellen van regels en (2) zorgt er voor dat die regels worden
gehandhaafd door geschilbeslechting.
Recht: het geheel van geldende rechtsregels
- Positief recht: optelsom van alle geldende rechtsregels. Niet rechtsregels die nog niet zijn ingevoerd of die al
zijn afgeschaft. Ook onderscheid maken tussen alleen geldend recht en morele voorschriften of
fatsoensregels (respect voor elkaars geloof, deur openhouden, met mes en vork eten)
- Objectief recht: synoniem van positief recht. Ordenen de verhouding tussen personen door hen rechten en
plichten toe te kennen.
- Subjectief recht: een aan het objectieve recht ontleende bevoegdheid van een persoon. In het Engels heb je
law (objectief recht, algemene regel) en right (bevoegdheid, subjectief recht). De twee hebben met elkaar te
maken, iedere bevoegdheid die iemand heeft moet berusten op een algemene regel.
Rechtsbronnen
- De wet (wetgever maakt rechtsregels en legt ze vast in de wet)
- De jurisprudentie (de rechtspraak, rechtersrecht, een door rechter geformuleerde regel die ook toegepast
wordt in latere geschillen. Heeft dezelfde rechtskracht als wettelijk recht)
- De gewoonte (niet vastgelegd maar worden wel behandeld als bindende rechtsregels, geldigheid kan
worden bepaald door rechter, gewoonterecht)
- Verdragen en sommige besluiten van volkenrechtelijke organisaties
Nationaal en internationaal recht
Soevereiniteit: vrijheid van een land om wetgeving te regelen en bevoegdheden aan het bestuur en rechterlijke
macht toe te kennen. Extern: geen macht boven zich van buitenaf, tenzij ze dit zelf toestaan, intern: exclusieve
bevoegdheid tot wetgeving, bestuur en rechtspraak.
Nationaal recht: heeft alleen binnen het land zelf rechtskracht. Bevat ook veel regels van internationale oorsprong;
internationaal recht.
Volkenrecht: deel van internationaal recht dat bestaat uit verdragen, besluiten van volkenrechtelijke organisaties en
regels van gewoonterecht.
EVRM: regels gelden rechtstreeks in het nationale recht, zonder tussenkomt van wetgever. Tot stand gekomen in
RvE, na WOII. Grondrechten uit EVRM werken rechtstreeks door in Nederlandse rechtsorde; monistisch systeem
(monisme). Vrijwillige inperking van soevereiniteit, regels uit verdragen gelden rechtstreeks in nationaal recht,
vastgelegd in Grw.
Europese Unie heeft organen die bevoegd zijn tot wetgeving, rechtspraak en bestuur. Veel nationale regels in
Nederland afkomstig uit verordeningen EU.
Voorrangsregel: wanneer internationaal besluit in strijd is met regel van nationale herkomst, opgenomen in Grw dat
internationaal besluit voorrang heeft, en nationale regel buiten toepassing moet blijven (bijvoorbeeld grondrechten
EVRM).
Materieel en formeel recht
Materieel recht: regels die betrekking hebben op rechten en plichten van personen
Formeel recht: regels over de wijze van procederen voor de rechter (ook wel procesrecht)
In alle rechtsgebieden onderscheid tussen materieel en formeel recht (behalve in staatsrecht)
Rechtsgebieden
1. Staatsrecht
Organisatie van de staat en zijn organen en bevoegdheden van die organen. Verhouding van burger tot staat,
politieke rechten (kiesrecht), verhouding regering en parlement. Grondwet is in belangrijkste fundament.
2. Bestuursrecht
Ook wel administratief recht, oorspronkelijk deel van staatsrecht. Eigen procesrecht voor beslechting van geschillen
tussen bestuursorganen en burger, rechtsverhouding tussen overheid en burger. Komt tot uiting in een beschikking;
een besluit van een bestuursorgaan dat rechtsgevolgen vaststelt voor één individu (of rechtspersoon). Voorbeeld:
, vergunningen, opleggen van belastingaanslag, verstrekken van uitkering, rijbewijs, diploma. Beschikkingen verlenen
rechten maar leggen ook verplichtingen op.
3. Strafrecht
Gedragingen worden bedreigd met straf. Materieel recht: Wetboek van Strafrecht (Sr), Opiumwet,
Wegenverkeerswet, Wet wapens en munitie. Formele recht: Wetboek van Strafvordering (Sv). Doel is het beveiligen
van de maatschappij. Strafbaar feit kan gepleegd worden door natuurlijke personen (mensen) of rechtspersonen
(vennootschap, vereniging). Vervolgen is opgedragen aan de overheid, middels openbaar ministerie (onder Min.
V&J). mogelijke sancties: gevangenis, hechtenis, taakstraf of geldboete.
4. Burgerlijk recht (privaatrecht, civielrecht)
De juridische betrekkingen tussen personen onderling, geregeld in BW.
Materieel privaatrecht:
- Regels betreffende de persoon
o Personen- en familierecht (nationaliteit, huwelijk, voogdij, recht op een naam)
o Rechtspersonenrecht (juridische samenwerkingsvorm, BV, NV, overheidsinstellingen)
- Regels betreffende het vermogen van een persoon
o Vermogensrecht (rechten en plichten over vermogen, eigendomsrecht, koop-, huurovereenkomst)
o Handelsrecht (van oudsher in apart wetboek, zal worden opgeheven)
5. Arbeidsrecht
Geheel aan rechtsregels dat betrekking heeft op arbeidsverhouding van personen in loondienst. Zowel privaat als
publiek. Cao, arbeidsomstandigheden, staking, medezeggenschap.
Publiekrecht en privaatrecht
Publiek recht: staatsrecht, bestuursrecht, strafrecht, volkenrecht. Tussen staat en individu, algemeen belang staat
centraal. Verhouding overheid burger verticaal.
Privaatrecht: burgerlijk recht (civiel recht), belang van individuele burger staat centraal. Verhouding horizontaal,
gelijkwaardige rechtsverhouding.
Wanneer de overheid koopovereenkomst sluit met bedrijf voor levering van computers, dan treedt de overheid als
particulier op, koopovereenkomst via regels van privaatrecht. Ook veel privatisering; overheid hevelt veel taken over
naar particuliere organisaties, hierdoor verkleint het publiekrecht.
Geschreven en ongeschreven recht
Ongeschreven recht: gewoonterecht. Ook rechtspraak of jurisprudentie is ongeschreven recht. Precedentwerking; bij
uitspraak richten op eerdere rechterlijke uitspraken.
Hoofdstuk 2, par. 5 t/m 5.2;
Grondrechten zijn fundamentele rechten, beperken staatsmacht ter wille van menselijke vrijheid en waardigheid
(mensenrechten). Zijn onvervreemdbaar; kunnen niet worden overgeheveld of opgeheven, ze horen bij mens zijn.
Grondrechten
- Klassieke grondrechten: borgen garanties tegen inbreuk van de overheid. Recht op life, liberty en property.
Beperking van bevoegdheden van de overheid ten opzichte van het individu. Overheid moet zich onthouden
van actief ingrijpen. Drie vormen klassieke grondrechten:
o Vrijheidsrechten – godsdienst, meningsuiting, onaantastbaarheid lichaam, huisrecht
o Politieke rechten – actief en passief kiesrecht
o Gelijkheidsrechten – art. 1 Grw geen discriminatie, gelijke behandeling
- Sociale grondrechten: overheid moet streven naar ontplooiing van burgers. Verschaffen van zorg, pensioen,
woon- en werkgelegenheid, sociale zekerheid, onderwijs. Legt de overheid een verplichting op zich in te
spannen door het treffen van voorzieningen.
Hoofdstuk 15, Inleiding, par. 1 en 2; par. 5 geheel.
Volkenrechtelijke organisaties: VN, RvE (EVRM), EU (rechtsorde waarin nationaal recht van lidstaten ondergeschikt
is)
Volkenrecht: rechtsregels voor verkeer tussen staten en tussen staten en volkenrechtelijke organisaties. Deels
geschreven (verdragen en besluiten), deels ongeschreven (gewoonte, jurisprudentie). Belangrijkste rechtsbron is het
verdrag (overeenkomst tussen staten): bilateraal (tussen twee staten) of multilateraal (tussen meerdere staten).
Literatuur HC1
Hoofdstuk 1
Het recht: (1) ordent menselijk gedrag door het stellen van regels en (2) zorgt er voor dat die regels worden
gehandhaafd door geschilbeslechting.
Recht: het geheel van geldende rechtsregels
- Positief recht: optelsom van alle geldende rechtsregels. Niet rechtsregels die nog niet zijn ingevoerd of die al
zijn afgeschaft. Ook onderscheid maken tussen alleen geldend recht en morele voorschriften of
fatsoensregels (respect voor elkaars geloof, deur openhouden, met mes en vork eten)
- Objectief recht: synoniem van positief recht. Ordenen de verhouding tussen personen door hen rechten en
plichten toe te kennen.
- Subjectief recht: een aan het objectieve recht ontleende bevoegdheid van een persoon. In het Engels heb je
law (objectief recht, algemene regel) en right (bevoegdheid, subjectief recht). De twee hebben met elkaar te
maken, iedere bevoegdheid die iemand heeft moet berusten op een algemene regel.
Rechtsbronnen
- De wet (wetgever maakt rechtsregels en legt ze vast in de wet)
- De jurisprudentie (de rechtspraak, rechtersrecht, een door rechter geformuleerde regel die ook toegepast
wordt in latere geschillen. Heeft dezelfde rechtskracht als wettelijk recht)
- De gewoonte (niet vastgelegd maar worden wel behandeld als bindende rechtsregels, geldigheid kan
worden bepaald door rechter, gewoonterecht)
- Verdragen en sommige besluiten van volkenrechtelijke organisaties
Nationaal en internationaal recht
Soevereiniteit: vrijheid van een land om wetgeving te regelen en bevoegdheden aan het bestuur en rechterlijke
macht toe te kennen. Extern: geen macht boven zich van buitenaf, tenzij ze dit zelf toestaan, intern: exclusieve
bevoegdheid tot wetgeving, bestuur en rechtspraak.
Nationaal recht: heeft alleen binnen het land zelf rechtskracht. Bevat ook veel regels van internationale oorsprong;
internationaal recht.
Volkenrecht: deel van internationaal recht dat bestaat uit verdragen, besluiten van volkenrechtelijke organisaties en
regels van gewoonterecht.
EVRM: regels gelden rechtstreeks in het nationale recht, zonder tussenkomt van wetgever. Tot stand gekomen in
RvE, na WOII. Grondrechten uit EVRM werken rechtstreeks door in Nederlandse rechtsorde; monistisch systeem
(monisme). Vrijwillige inperking van soevereiniteit, regels uit verdragen gelden rechtstreeks in nationaal recht,
vastgelegd in Grw.
Europese Unie heeft organen die bevoegd zijn tot wetgeving, rechtspraak en bestuur. Veel nationale regels in
Nederland afkomstig uit verordeningen EU.
Voorrangsregel: wanneer internationaal besluit in strijd is met regel van nationale herkomst, opgenomen in Grw dat
internationaal besluit voorrang heeft, en nationale regel buiten toepassing moet blijven (bijvoorbeeld grondrechten
EVRM).
Materieel en formeel recht
Materieel recht: regels die betrekking hebben op rechten en plichten van personen
Formeel recht: regels over de wijze van procederen voor de rechter (ook wel procesrecht)
In alle rechtsgebieden onderscheid tussen materieel en formeel recht (behalve in staatsrecht)
Rechtsgebieden
1. Staatsrecht
Organisatie van de staat en zijn organen en bevoegdheden van die organen. Verhouding van burger tot staat,
politieke rechten (kiesrecht), verhouding regering en parlement. Grondwet is in belangrijkste fundament.
2. Bestuursrecht
Ook wel administratief recht, oorspronkelijk deel van staatsrecht. Eigen procesrecht voor beslechting van geschillen
tussen bestuursorganen en burger, rechtsverhouding tussen overheid en burger. Komt tot uiting in een beschikking;
een besluit van een bestuursorgaan dat rechtsgevolgen vaststelt voor één individu (of rechtspersoon). Voorbeeld:
, vergunningen, opleggen van belastingaanslag, verstrekken van uitkering, rijbewijs, diploma. Beschikkingen verlenen
rechten maar leggen ook verplichtingen op.
3. Strafrecht
Gedragingen worden bedreigd met straf. Materieel recht: Wetboek van Strafrecht (Sr), Opiumwet,
Wegenverkeerswet, Wet wapens en munitie. Formele recht: Wetboek van Strafvordering (Sv). Doel is het beveiligen
van de maatschappij. Strafbaar feit kan gepleegd worden door natuurlijke personen (mensen) of rechtspersonen
(vennootschap, vereniging). Vervolgen is opgedragen aan de overheid, middels openbaar ministerie (onder Min.
V&J). mogelijke sancties: gevangenis, hechtenis, taakstraf of geldboete.
4. Burgerlijk recht (privaatrecht, civielrecht)
De juridische betrekkingen tussen personen onderling, geregeld in BW.
Materieel privaatrecht:
- Regels betreffende de persoon
o Personen- en familierecht (nationaliteit, huwelijk, voogdij, recht op een naam)
o Rechtspersonenrecht (juridische samenwerkingsvorm, BV, NV, overheidsinstellingen)
- Regels betreffende het vermogen van een persoon
o Vermogensrecht (rechten en plichten over vermogen, eigendomsrecht, koop-, huurovereenkomst)
o Handelsrecht (van oudsher in apart wetboek, zal worden opgeheven)
5. Arbeidsrecht
Geheel aan rechtsregels dat betrekking heeft op arbeidsverhouding van personen in loondienst. Zowel privaat als
publiek. Cao, arbeidsomstandigheden, staking, medezeggenschap.
Publiekrecht en privaatrecht
Publiek recht: staatsrecht, bestuursrecht, strafrecht, volkenrecht. Tussen staat en individu, algemeen belang staat
centraal. Verhouding overheid burger verticaal.
Privaatrecht: burgerlijk recht (civiel recht), belang van individuele burger staat centraal. Verhouding horizontaal,
gelijkwaardige rechtsverhouding.
Wanneer de overheid koopovereenkomst sluit met bedrijf voor levering van computers, dan treedt de overheid als
particulier op, koopovereenkomst via regels van privaatrecht. Ook veel privatisering; overheid hevelt veel taken over
naar particuliere organisaties, hierdoor verkleint het publiekrecht.
Geschreven en ongeschreven recht
Ongeschreven recht: gewoonterecht. Ook rechtspraak of jurisprudentie is ongeschreven recht. Precedentwerking; bij
uitspraak richten op eerdere rechterlijke uitspraken.
Hoofdstuk 2, par. 5 t/m 5.2;
Grondrechten zijn fundamentele rechten, beperken staatsmacht ter wille van menselijke vrijheid en waardigheid
(mensenrechten). Zijn onvervreemdbaar; kunnen niet worden overgeheveld of opgeheven, ze horen bij mens zijn.
Grondrechten
- Klassieke grondrechten: borgen garanties tegen inbreuk van de overheid. Recht op life, liberty en property.
Beperking van bevoegdheden van de overheid ten opzichte van het individu. Overheid moet zich onthouden
van actief ingrijpen. Drie vormen klassieke grondrechten:
o Vrijheidsrechten – godsdienst, meningsuiting, onaantastbaarheid lichaam, huisrecht
o Politieke rechten – actief en passief kiesrecht
o Gelijkheidsrechten – art. 1 Grw geen discriminatie, gelijke behandeling
- Sociale grondrechten: overheid moet streven naar ontplooiing van burgers. Verschaffen van zorg, pensioen,
woon- en werkgelegenheid, sociale zekerheid, onderwijs. Legt de overheid een verplichting op zich in te
spannen door het treffen van voorzieningen.
Hoofdstuk 15, Inleiding, par. 1 en 2; par. 5 geheel.
Volkenrechtelijke organisaties: VN, RvE (EVRM), EU (rechtsorde waarin nationaal recht van lidstaten ondergeschikt
is)
Volkenrecht: rechtsregels voor verkeer tussen staten en tussen staten en volkenrechtelijke organisaties. Deels
geschreven (verdragen en besluiten), deels ongeschreven (gewoonte, jurisprudentie). Belangrijkste rechtsbron is het
verdrag (overeenkomst tussen staten): bilateraal (tussen twee staten) of multilateraal (tussen meerdere staten).