Voeding en gezondheid samenvatting
Onderzoeksvaardigheden
Hoofdstuk 1
1.1 kwalitatief/kwantitatief onderzoek
kwalitatief = diep in materie ingaan, veel gegevens over weinig onderzoeksobjecten.
Doorgronden attitudes en achterliggende oorzaken gedrag. In kaart brengen wensen,
verwachtingen, behoeftes, ontwikkelingen.
Tijdrovend en weinig onderzoekspersonen
Kwantitatief = kennis, oordeel of gedrag van een grote groep mensen
Grote betrouwbaarheid en efficiënt
Kwantitatief Kwalitatief
Grote eenheden/populatie Kleine eenheden/populatie
Steekproef (indien populatie >100) Geen steekproef, wel redundancy
Onderzoeksresultaten = getallen Onderzoeksresultaten = beschrijving
Moet voldoen aan de eisen:
1. objectief en onafhankelijk
2. controleerbaar en toetsbaar
3. herhaalbaar
4. nauwkeurig
5. generaliseerbaar naar domein waarover je uitspraak doet
Kwantitatief Kwalitatief
Codeboek en analyseschema Categorisatie
Invoer gegevens Verbanden ontdekken
Uitvoeren berekeningen Hypothesen ontwikkelen en toetsen om
conclusies te trekken
1.2 fieldresearch/deskresearch/ beschrijvend/toetsend
deskresearch = bestaande gegevens algemene literatuur/datebases. Geen nieuwe
gegevens gebruiken. Analyseren bestaande gegevens voor nieuw doel.
Fieldresearch = zelf gegevens verzamelen door eigen onderzoek
Beschrijvend onderzoek = situatie in kaart brengen. Voorkennis is laag eerste stap
(kwantitatief).
Toetsend onderzoek = theorie of verwachting toetsen (hypothese). (kwantitatief)
Kwantitatieve methoden fieldresearch:
- schriftelijke enquête
- face-to-face enquête
- telefonische enquête
- panelonderzoek
- online onderzoek
kwalitatieve methoden fieldresearch
- groepsdiscussie
- diepte-interview
hoofdstuk 2: opzet onderzoek
2.1 onderzoeksvraag/probleemstelling/doelstelling
Doelstelling = wat het onderzoek uiteindelijk moet opleveren. Gewenste situatie (waar
wil je met het onderzoek naartoe?
, - doelstelling voor de organisatie
- doelstelling voor het onderzoek
Centrale vraag = rode draad door het onderzoek. Het onderzoek werkt toe naar de
beantwoording van de vraag. Dient in de conclusie beantwoord te worden
Probleemstelling = duidt de te onderzoeken situatie aan. 2 elementen:
1. wat zijn de grenzen van het onderzoeksgebied?
2. Wie behoren er tot de onderzoekspopulatie?
Onderzoeksvraag: volgens vaste methodiek antwoord geven (de vraag moet
onderzoekbaar zijn, iets wat niet al zeker vaststaat)
- Beschrijvend: welke/hoevaak?
- Vergelijkend: welke verschillen tussen A en B
- Definierend: wat verstaan/bedoelen we met..
- Evaluerend : hoe beoordelen/hoe wordt de .. gewaardeerd?
- Ontwerpen: hoe kan..
1 Wat is het probleem? ernst/spreiding/omvang = epidemiologische diagnose
2 gez.probleem gedrag
3 verklaring gedrag (waarom? Willen ze wel veranderen?)
4 hoe veranderen = doelgroep behoefte
5 interventie ontwerpen + uitvoeren
6 uitvoeren
2.2 inclusie/exclusie criteria
Inclusiecriteria = insluiting, iemand laten deelnemen aan een onderzoek. Voldoet wel
aan de eisen
Exclusiecriteria = uitsluiting, iemand mag niet deelnemen aan een onderzoek. Voldoet
niet aan de eisen.
2.3 validiteit/betrouwbaarheid
Betrouwbaarheid = de mate waarin het resultaat afhankelijk van toeval is. Als je het
onderzoek opnieuw zou doen komen er dezelfde resultaten uit.
Bij kwantitatief onderzoek:
1. Juiste omvang van steekproef
2. Geen onnodige verbanden leggen (fishing)
3. Betrouwbare meetinstrumenten
Bij kwalitatief onderzoek:
1. Observatoren trainen in het gebruik van observatieformulieren. (meerdere
observatoren inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid)
2. Proefdraaien bij interviews met het interviewschema
3. Groepsdiscussies opnemen en door een collega laten bekijken
Validiteit = mate waarinde uitkomsten van je onderzoek door systematische fouten
kunnen worden beïnvloed
1. Interne validiteit
Is er een andere verklaring voor het gevonden verband?: een derde variabele,
history, selectie, drop-outs, of A tot B leidt of andersom
2. Construct validiteit
Of je hebt gemeten wat je wilde meten/manier van meten: inadequate
operationalisaties, hypothese raden, onderzoeksverwachtingen (dubbelblind
procedure)
3. Externe validiteit
Generaliseerbaarheid naar de hele populatie?
Hoofdstuk 3: deskresearch
3.1 primaire en secundaire bronnen
Primaire bronnen: de eerste vastlegging van gegevens, analyses, theorieën, etc.
individuele onderzoeken en uitkomsten. Nieuwste trends
Secundaire bronnen: er daarna verschijnende belangrijke bronnen
, Tertiaire bronnen: de hoofdconclusies die in meerdere onderzoeken zijn bevestigd.
Uitgerijpt.
Sneeuwbalmethode = via de literatuurlijst van een artikel aan een passende bron
komen
3.2 primaire, secundaire en tertiaire literatuurbronnen
Primair Secundair Tertiair
Onderzoeksrapporten Kranten Indices
Dissertaties Boeken Encyclopediën
Congresverslagen Tijdschriften Woordenboeken
Sommige Internet Citatie-indices
overheidspublicaties
Branche-rapporten Sommige Bibliografieën
overheidspublicaties
Scripties/afstudeerrappor Samenvattingen
ten
3.3 vormen deskresearch
4 soorten:
1. analyse van ambtelijk statistisch materiaal (CBS gegevens)
2. literatuuronderzoek (boeken, tijdschriften, internetartikelen)
3. secundaire analyse door anderen verzamelde data (uitgevoerde enquête)
4. inhoudsanalyse van massacommunicatieteksten audiovisueel materiaal (krant,
tijdschrift, wegblogs)
3.4 voor en nadelen
Voordelen:
- goedkoop
- kan snel worden uitgevoerd
- eigen beïnvloeding van de uitkomsten is niet mogelijk (non obtrusive)
- longitudinaal (over langere periodes) is onderzoek mogelijk
nadelen:
- niet altijd actueel
- niet toegespitst op je eigen onderzoeksvragen
- bronnen zijn moeilijk toegankelijk
- betrouwbaarheid en validiteit moeilijk in te schatten
- niet altijd objectief
3.5 zoekstrategie/databases
‘’ alleen resultaten met de woorden in die volgorde
AND/+ alleen artikelen met alle woorden
OR artikelen met 1 van de termen
NOT/ - specificeren wat het niet moet zijn
* selecteer artikelen met alle uitgangen voor *
? selecteer artikelen met alle letters voor ?
Planmatig deskresearch: als eerst doel omschrijven
1. zoek naar definities van begrippen en vind zoektermen
2. kijk welke theorieën behulpzaam kunnen zijn bij het onderwerp
3. recente ontwikkelingen achterhalen
4. lezen van gespecialiceerde onderzoeksmethodeboeken voor je opzet en uitvoer
5. onderzoeksvragen beantwoorden met bestaand materiaal
Databases:
Statische websites Internetbronnen
Onderzoeksvaardigheden
Hoofdstuk 1
1.1 kwalitatief/kwantitatief onderzoek
kwalitatief = diep in materie ingaan, veel gegevens over weinig onderzoeksobjecten.
Doorgronden attitudes en achterliggende oorzaken gedrag. In kaart brengen wensen,
verwachtingen, behoeftes, ontwikkelingen.
Tijdrovend en weinig onderzoekspersonen
Kwantitatief = kennis, oordeel of gedrag van een grote groep mensen
Grote betrouwbaarheid en efficiënt
Kwantitatief Kwalitatief
Grote eenheden/populatie Kleine eenheden/populatie
Steekproef (indien populatie >100) Geen steekproef, wel redundancy
Onderzoeksresultaten = getallen Onderzoeksresultaten = beschrijving
Moet voldoen aan de eisen:
1. objectief en onafhankelijk
2. controleerbaar en toetsbaar
3. herhaalbaar
4. nauwkeurig
5. generaliseerbaar naar domein waarover je uitspraak doet
Kwantitatief Kwalitatief
Codeboek en analyseschema Categorisatie
Invoer gegevens Verbanden ontdekken
Uitvoeren berekeningen Hypothesen ontwikkelen en toetsen om
conclusies te trekken
1.2 fieldresearch/deskresearch/ beschrijvend/toetsend
deskresearch = bestaande gegevens algemene literatuur/datebases. Geen nieuwe
gegevens gebruiken. Analyseren bestaande gegevens voor nieuw doel.
Fieldresearch = zelf gegevens verzamelen door eigen onderzoek
Beschrijvend onderzoek = situatie in kaart brengen. Voorkennis is laag eerste stap
(kwantitatief).
Toetsend onderzoek = theorie of verwachting toetsen (hypothese). (kwantitatief)
Kwantitatieve methoden fieldresearch:
- schriftelijke enquête
- face-to-face enquête
- telefonische enquête
- panelonderzoek
- online onderzoek
kwalitatieve methoden fieldresearch
- groepsdiscussie
- diepte-interview
hoofdstuk 2: opzet onderzoek
2.1 onderzoeksvraag/probleemstelling/doelstelling
Doelstelling = wat het onderzoek uiteindelijk moet opleveren. Gewenste situatie (waar
wil je met het onderzoek naartoe?
, - doelstelling voor de organisatie
- doelstelling voor het onderzoek
Centrale vraag = rode draad door het onderzoek. Het onderzoek werkt toe naar de
beantwoording van de vraag. Dient in de conclusie beantwoord te worden
Probleemstelling = duidt de te onderzoeken situatie aan. 2 elementen:
1. wat zijn de grenzen van het onderzoeksgebied?
2. Wie behoren er tot de onderzoekspopulatie?
Onderzoeksvraag: volgens vaste methodiek antwoord geven (de vraag moet
onderzoekbaar zijn, iets wat niet al zeker vaststaat)
- Beschrijvend: welke/hoevaak?
- Vergelijkend: welke verschillen tussen A en B
- Definierend: wat verstaan/bedoelen we met..
- Evaluerend : hoe beoordelen/hoe wordt de .. gewaardeerd?
- Ontwerpen: hoe kan..
1 Wat is het probleem? ernst/spreiding/omvang = epidemiologische diagnose
2 gez.probleem gedrag
3 verklaring gedrag (waarom? Willen ze wel veranderen?)
4 hoe veranderen = doelgroep behoefte
5 interventie ontwerpen + uitvoeren
6 uitvoeren
2.2 inclusie/exclusie criteria
Inclusiecriteria = insluiting, iemand laten deelnemen aan een onderzoek. Voldoet wel
aan de eisen
Exclusiecriteria = uitsluiting, iemand mag niet deelnemen aan een onderzoek. Voldoet
niet aan de eisen.
2.3 validiteit/betrouwbaarheid
Betrouwbaarheid = de mate waarin het resultaat afhankelijk van toeval is. Als je het
onderzoek opnieuw zou doen komen er dezelfde resultaten uit.
Bij kwantitatief onderzoek:
1. Juiste omvang van steekproef
2. Geen onnodige verbanden leggen (fishing)
3. Betrouwbare meetinstrumenten
Bij kwalitatief onderzoek:
1. Observatoren trainen in het gebruik van observatieformulieren. (meerdere
observatoren inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid)
2. Proefdraaien bij interviews met het interviewschema
3. Groepsdiscussies opnemen en door een collega laten bekijken
Validiteit = mate waarinde uitkomsten van je onderzoek door systematische fouten
kunnen worden beïnvloed
1. Interne validiteit
Is er een andere verklaring voor het gevonden verband?: een derde variabele,
history, selectie, drop-outs, of A tot B leidt of andersom
2. Construct validiteit
Of je hebt gemeten wat je wilde meten/manier van meten: inadequate
operationalisaties, hypothese raden, onderzoeksverwachtingen (dubbelblind
procedure)
3. Externe validiteit
Generaliseerbaarheid naar de hele populatie?
Hoofdstuk 3: deskresearch
3.1 primaire en secundaire bronnen
Primaire bronnen: de eerste vastlegging van gegevens, analyses, theorieën, etc.
individuele onderzoeken en uitkomsten. Nieuwste trends
Secundaire bronnen: er daarna verschijnende belangrijke bronnen
, Tertiaire bronnen: de hoofdconclusies die in meerdere onderzoeken zijn bevestigd.
Uitgerijpt.
Sneeuwbalmethode = via de literatuurlijst van een artikel aan een passende bron
komen
3.2 primaire, secundaire en tertiaire literatuurbronnen
Primair Secundair Tertiair
Onderzoeksrapporten Kranten Indices
Dissertaties Boeken Encyclopediën
Congresverslagen Tijdschriften Woordenboeken
Sommige Internet Citatie-indices
overheidspublicaties
Branche-rapporten Sommige Bibliografieën
overheidspublicaties
Scripties/afstudeerrappor Samenvattingen
ten
3.3 vormen deskresearch
4 soorten:
1. analyse van ambtelijk statistisch materiaal (CBS gegevens)
2. literatuuronderzoek (boeken, tijdschriften, internetartikelen)
3. secundaire analyse door anderen verzamelde data (uitgevoerde enquête)
4. inhoudsanalyse van massacommunicatieteksten audiovisueel materiaal (krant,
tijdschrift, wegblogs)
3.4 voor en nadelen
Voordelen:
- goedkoop
- kan snel worden uitgevoerd
- eigen beïnvloeding van de uitkomsten is niet mogelijk (non obtrusive)
- longitudinaal (over langere periodes) is onderzoek mogelijk
nadelen:
- niet altijd actueel
- niet toegespitst op je eigen onderzoeksvragen
- bronnen zijn moeilijk toegankelijk
- betrouwbaarheid en validiteit moeilijk in te schatten
- niet altijd objectief
3.5 zoekstrategie/databases
‘’ alleen resultaten met de woorden in die volgorde
AND/+ alleen artikelen met alle woorden
OR artikelen met 1 van de termen
NOT/ - specificeren wat het niet moet zijn
* selecteer artikelen met alle uitgangen voor *
? selecteer artikelen met alle letters voor ?
Planmatig deskresearch: als eerst doel omschrijven
1. zoek naar definities van begrippen en vind zoektermen
2. kijk welke theorieën behulpzaam kunnen zijn bij het onderwerp
3. recente ontwikkelingen achterhalen
4. lezen van gespecialiceerde onderzoeksmethodeboeken voor je opzet en uitvoer
5. onderzoeksvragen beantwoorden met bestaand materiaal
Databases:
Statische websites Internetbronnen