BG1 Bloeding & Stolling
FYSIOLOGIE HEMOSTASE 2
Hemostase 2
Afbraak stolsel (fibrinolyse) 4
Hoe voorkomt het lichaam trombosevorming? 5
VENEUZE TROMBO-EMBOLIE 7
Risicofactoren 7
Epidemiologie 7
Klinische presentatie 8
Pathofysiologie 8
Diagnostiek 11
Behandeling VTE 15
Pulmonale hypertensie 17
LABORATORIUMTESTEN 19
INR (international normalized ratio) 19
PT (protrombine tijd) 19
APTT (activated partial thromboplastin time) 19
Platelet function analyzer (PFA) 20
Interpretatie 20
BLOEDINGSNEIGING 22
Ziekte van Von Willebrand 22
Trombopenie / Immuun trombocytopenie 22
Hemofilie A en B 22
MEDICATIE INGRIJPEND OP HET ANTISTOLLING SYSTEEM 23
Hemostatica 23
Anti-trombotica 24
Trombocytenaggregatieremmers 24
Antistollingsmedicatie 25
Trombolytica 26
Pagina 1 van 26
,FYSIOLOGIE HEMOSTASE
Hemostase
Primaire bloedstolling
Na een beschadiging van een bloedvat treedt allereerst vasoconstrictie op. Vervolgens vindt er
trombocyten activatie plaats. Deze trombocyten kunnen via veel activatieroutes (collageen, ADP,
epinefrine, trombine, shear stress) worden geactiveerd. Deze activatieroutes leiden allemaal tot een
intracellulaire verhoging van de calciumconcentratie. Dit leidt tot een conformatieverandering van
oppervlakte eiwitten. Dit leidt tot release van allerlei vasoactieve stoffen uit blaasjes in het
trombocyt. ADP, serotonine, TXA2 komen vrij en zorgen dat andere trombocyten geactiveerd
worden. TXA2 stimuleert de aggregatie van trombocyten.
Na de activatie kan trombocytenaggregatie plaatsvinden. Hierbij komen eiwitten op de buitenkant
van de trombocyt te zitten, waardoor de trombocyt actief kan worden. Deze eiwitten
(glycoproteïnes; GPs) zijn:
Activatie, aggregatie en hechting
• GP IIb/IIIa: fibrine bindt hieraan; hierdoor
Collageen
kan de trombocyt aan andere trombocyten Epinefrine Trombine
ADP
hechten.
+ + +
• GP Ib/V/IX: de Von Willebrand Factor bindt + ADP receptor
AA
+
COX-1
hieraan; hiermee kan de trombocyt aan het
shear Tromboxaan receptor
stress + +
TxA2 +
ADP
ADP
[Ca2+]
endotheel hechten.
ATP 5HT
granula GP Ia / IIa
fibrinogeen
granula
vWF etc.
Collageen
• GP Ia/IIa: collageen bindt hieraan; hiermee GP IIb / IIIa
GP Ib / V / IX
vWF
kan de trombocyt aan het beschadigde deel Fibrinogeen
Endotheel
Aggregatie
van de vaatwand hechten.
Secundaire hemostase (stollingscascade)
Tijdens de tweede fase van de hemostase wordt het daadwerkelijke stolsel aangemaakt mbv de
stollingscascade. Dit start met de activatie van stollingsfactor X. Dit kan via twee pathways:
1. Extrinsiek pathway
Vereist tissue factor van buiten het bloed; sneller
2. Intrinsiek pathway
De factoren bevinden zich in het bloed; langzamer
Pagina 2 van 26
, Stollingscascade:
1. Start
1. Intrinsiek: collageen activeer XII → XIIa
1. XIIa activeert m.b.v. Ca XI → XIa
2. XIa activeert m.b.v. Ca IX → IXa
2. Extrinsiek: TF (III) activeert VII → VIIa
2. Gemeenschappelijk punt: IXa. IXa activeert m.b.v. Ca, PL → X → Xa
3. Xa → zet protrombine (II) om in trombine m.b.v. Ca, V, PL
4. Trombine → zet fibrinogeen om in fibrine en XIII → XIIIa
5. Fibrine omgezet in cross-linked fibrine m.b.v. XIIIa
Door de stabilisaties met cross-links wordt voorkomen dat het stolsel wordt meegesleurd door het
langsstromende bloed.
Pagina 3 van 26
FYSIOLOGIE HEMOSTASE 2
Hemostase 2
Afbraak stolsel (fibrinolyse) 4
Hoe voorkomt het lichaam trombosevorming? 5
VENEUZE TROMBO-EMBOLIE 7
Risicofactoren 7
Epidemiologie 7
Klinische presentatie 8
Pathofysiologie 8
Diagnostiek 11
Behandeling VTE 15
Pulmonale hypertensie 17
LABORATORIUMTESTEN 19
INR (international normalized ratio) 19
PT (protrombine tijd) 19
APTT (activated partial thromboplastin time) 19
Platelet function analyzer (PFA) 20
Interpretatie 20
BLOEDINGSNEIGING 22
Ziekte van Von Willebrand 22
Trombopenie / Immuun trombocytopenie 22
Hemofilie A en B 22
MEDICATIE INGRIJPEND OP HET ANTISTOLLING SYSTEEM 23
Hemostatica 23
Anti-trombotica 24
Trombocytenaggregatieremmers 24
Antistollingsmedicatie 25
Trombolytica 26
Pagina 1 van 26
,FYSIOLOGIE HEMOSTASE
Hemostase
Primaire bloedstolling
Na een beschadiging van een bloedvat treedt allereerst vasoconstrictie op. Vervolgens vindt er
trombocyten activatie plaats. Deze trombocyten kunnen via veel activatieroutes (collageen, ADP,
epinefrine, trombine, shear stress) worden geactiveerd. Deze activatieroutes leiden allemaal tot een
intracellulaire verhoging van de calciumconcentratie. Dit leidt tot een conformatieverandering van
oppervlakte eiwitten. Dit leidt tot release van allerlei vasoactieve stoffen uit blaasjes in het
trombocyt. ADP, serotonine, TXA2 komen vrij en zorgen dat andere trombocyten geactiveerd
worden. TXA2 stimuleert de aggregatie van trombocyten.
Na de activatie kan trombocytenaggregatie plaatsvinden. Hierbij komen eiwitten op de buitenkant
van de trombocyt te zitten, waardoor de trombocyt actief kan worden. Deze eiwitten
(glycoproteïnes; GPs) zijn:
Activatie, aggregatie en hechting
• GP IIb/IIIa: fibrine bindt hieraan; hierdoor
Collageen
kan de trombocyt aan andere trombocyten Epinefrine Trombine
ADP
hechten.
+ + +
• GP Ib/V/IX: de Von Willebrand Factor bindt + ADP receptor
AA
+
COX-1
hieraan; hiermee kan de trombocyt aan het
shear Tromboxaan receptor
stress + +
TxA2 +
ADP
ADP
[Ca2+]
endotheel hechten.
ATP 5HT
granula GP Ia / IIa
fibrinogeen
granula
vWF etc.
Collageen
• GP Ia/IIa: collageen bindt hieraan; hiermee GP IIb / IIIa
GP Ib / V / IX
vWF
kan de trombocyt aan het beschadigde deel Fibrinogeen
Endotheel
Aggregatie
van de vaatwand hechten.
Secundaire hemostase (stollingscascade)
Tijdens de tweede fase van de hemostase wordt het daadwerkelijke stolsel aangemaakt mbv de
stollingscascade. Dit start met de activatie van stollingsfactor X. Dit kan via twee pathways:
1. Extrinsiek pathway
Vereist tissue factor van buiten het bloed; sneller
2. Intrinsiek pathway
De factoren bevinden zich in het bloed; langzamer
Pagina 2 van 26
, Stollingscascade:
1. Start
1. Intrinsiek: collageen activeer XII → XIIa
1. XIIa activeert m.b.v. Ca XI → XIa
2. XIa activeert m.b.v. Ca IX → IXa
2. Extrinsiek: TF (III) activeert VII → VIIa
2. Gemeenschappelijk punt: IXa. IXa activeert m.b.v. Ca, PL → X → Xa
3. Xa → zet protrombine (II) om in trombine m.b.v. Ca, V, PL
4. Trombine → zet fibrinogeen om in fibrine en XIII → XIIIa
5. Fibrine omgezet in cross-linked fibrine m.b.v. XIIIa
Door de stabilisaties met cross-links wordt voorkomen dat het stolsel wordt meegesleurd door het
langsstromende bloed.
Pagina 3 van 26