NATECH – Hoofdstuk 5 – Energie en
technologie
Paragraaf 1 – Energie in huis
De belangrijkste energiebronnen in huis zijn elektriciteit en aardgas. De meeste energie wordt
gebruikt voor verwarming; ongeveer de helft is nodig om het huis te verwarmen. De
standaardeenheid voor energie is joule (J), afgeleide eenheden zijn kilojoule (kJ), megajoule (MJ),
gigajoule (GJ) en kilowattuur (kWh). De soortelijke warmte van een stof is de hoeveelheid energie
die nodig is om een kilogram van die stof met één graad te verwarmen. Het rendement van een
apparaat geeft aan hoeveel procent van de energie wordt omgezet in de energievorm waarvoor het
apparaat bedoeld is dus, hoeveel energie er nuttig
wordt gebruikt.
- Q = m x c x (Te – Tb)
Q = hoeveelheid warmte (J)
m = massa (kg)
c = soortelijke warmte (4180 J/kg • °C)
Te = eindtemperatuur water in °C
Tb = begintemperatuur water in °C
- (Te – Tb) = Q : (m•c)
- m = Q : c (Te – Tb)
- P=W:t
P = vermogen (W)
W = arbeid (J)
t = tijd (s)
Tijdens de productie van elektrische energie gaat er veel elektriciteit verloren, want het rendement
van een energiecentrale is maar ongeveer 40%.
Paragraaf 2 – Energie en vervoer
Om te bewegen is energie nodig. Een motor verricht arbeid. De arbeid is gelijk aan de hoeveelheid
energie die door de kracht van de motor wordt omgezet in bewegingsenergie. Remkrachten en
wrijvingskrachten zetten bewegingsenergie om in warmte. Dat is ook een voorbeeld van arbeid.
Voertuigen met elektromotoren verbruiken minder energie per kilometer. De meeste voertuigen
gebruiken fossiele brandstoffen als energiebron. Het rendement van een verbrandingsmotor is
meestal minder dan 50%. De voor bewegen benodigde energie wordt bepaald door de
wrijvingskrachten en de afstand die moet worden afgelegd. Brandstofverbruik wordt opgegeven in
L/100 km.
- W=Fxs
W = symbool voor arbeid ‘work’. (J)
F = kracht voor een beweging (N)
s = afstand (m)
technologie
Paragraaf 1 – Energie in huis
De belangrijkste energiebronnen in huis zijn elektriciteit en aardgas. De meeste energie wordt
gebruikt voor verwarming; ongeveer de helft is nodig om het huis te verwarmen. De
standaardeenheid voor energie is joule (J), afgeleide eenheden zijn kilojoule (kJ), megajoule (MJ),
gigajoule (GJ) en kilowattuur (kWh). De soortelijke warmte van een stof is de hoeveelheid energie
die nodig is om een kilogram van die stof met één graad te verwarmen. Het rendement van een
apparaat geeft aan hoeveel procent van de energie wordt omgezet in de energievorm waarvoor het
apparaat bedoeld is dus, hoeveel energie er nuttig
wordt gebruikt.
- Q = m x c x (Te – Tb)
Q = hoeveelheid warmte (J)
m = massa (kg)
c = soortelijke warmte (4180 J/kg • °C)
Te = eindtemperatuur water in °C
Tb = begintemperatuur water in °C
- (Te – Tb) = Q : (m•c)
- m = Q : c (Te – Tb)
- P=W:t
P = vermogen (W)
W = arbeid (J)
t = tijd (s)
Tijdens de productie van elektrische energie gaat er veel elektriciteit verloren, want het rendement
van een energiecentrale is maar ongeveer 40%.
Paragraaf 2 – Energie en vervoer
Om te bewegen is energie nodig. Een motor verricht arbeid. De arbeid is gelijk aan de hoeveelheid
energie die door de kracht van de motor wordt omgezet in bewegingsenergie. Remkrachten en
wrijvingskrachten zetten bewegingsenergie om in warmte. Dat is ook een voorbeeld van arbeid.
Voertuigen met elektromotoren verbruiken minder energie per kilometer. De meeste voertuigen
gebruiken fossiele brandstoffen als energiebron. Het rendement van een verbrandingsmotor is
meestal minder dan 50%. De voor bewegen benodigde energie wordt bepaald door de
wrijvingskrachten en de afstand die moet worden afgelegd. Brandstofverbruik wordt opgegeven in
L/100 km.
- W=Fxs
W = symbool voor arbeid ‘work’. (J)
F = kracht voor een beweging (N)
s = afstand (m)