ECONOMIE
Samenvatting h1 t/m 3
H1 Schaars
Iets is schaars als er productiefactoren voor moeten worden opgeofferd > bijna alle
goederen zijn schaars.
Schaarste
Schaarste ontstaat doordat we enerzijds onbeperkte behoeften hebben, maar slechts een
beperkte hoeveelheid productiemiddelen (en tijd) hebben om in die behoeften te voorzien.
Schaarste dwingt ons daarom tot het maken van keuzes
Opofferingskosten
De kosten (of opbrengsten) van het alternatief waar je niet voor kiest > opportunity cost
Basisjaar
Het jaar dat als startpunt / basis word gebruikt voor de berekening van indexcijfers. Het
basisjaar word altijd gelijk gesteld aan 100
Inflatie
Stijging van de prijzen
Hyperinflatie
Extreme (dagelijkse) prijsstijgingen
Deflatie
Een daling van de prijzen.
Goede variant: door dalende productiekosten wordt de verkoopprijs verlaagd.
Slechte variant: veroorzaakt door te lage bestedingen (recessie).
Consumentenprijsindex (CPI)
Samengesteld gewogen prijsindex dat het prijsverloop weergeeft van een pakket goederen
en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door alle huishoudens in Nederland.
Prijsindexcijfer
Verhoudingsgetal voor prijsverandering van goederen en diensten
Koopkracht / reëel inkomen
De hoeveelheid goederen en diensten de je met je inkomen kunt komen > wordt bepaald
door nominaal inkomen en de prijzen
Nominaal inkomen
Het inkomen in euro’s > loon, rente, huur, pacht of winst
Prijscompensatie
Loonsverhoging om de gestegen prijzen te compenseren, de koopkracht blijft dan gelijk
, Geldontwaarding
Daling van de koopkracht. De waarde van het geld wordt minder omdat je minder kunt
kopen met helzelfde geld.
H2 Vermogen
Bezittingen – schulden
Stroomgrootheid
Een waarde die over een bepaalde periode wordt gemeten, en dus niet bij 1 moment hoort
Voorraadgrootheid
Een waarde die op een moment gemeten
Ruilen over de tijd
Consumptie nu vervangen door consumptie in de toekomst, of andersom
Risicoaversiteit
Afkerig van risico, de neiging die mensen meestal hebben om risico te vermijden
Samengestelde interest
Rente over rente. Rente word berekend over het ingelegde bedrag plus de bijgeschreven
rente uit eerdere jaren > spaarrekeningen
Enkelvoudige interest
Rente op een spaarrekening wordt berekent over het oorspronkelijke ingelegde bedrag
(nooit over rente uit eerdere jaren). Dit is standaard bij spaardeposito’s.
Tijdsvoorkeur
Consumenten die sparen, stellen hun consumptie uit door nu te sparen en later te
consumeren en hebben dus een lage tijdsvoorkeur
Sparen
Het deel van het besteedbare inkomen van een gezin dat niet aan consumptie wordt
uitgegeven
Beleggen
Geld uitzetten tegen een vergoeding, zoals rente en dividend
Rendement
De opbrengst van een belegging in procenten van het belegde bedrag
Aandeel
Een bewijs van eigendom van een bedrijf
Dividend
De betaling van de winst van een onderneming (bv of nv) aan haar aandeelhouders
Samenvatting h1 t/m 3
H1 Schaars
Iets is schaars als er productiefactoren voor moeten worden opgeofferd > bijna alle
goederen zijn schaars.
Schaarste
Schaarste ontstaat doordat we enerzijds onbeperkte behoeften hebben, maar slechts een
beperkte hoeveelheid productiemiddelen (en tijd) hebben om in die behoeften te voorzien.
Schaarste dwingt ons daarom tot het maken van keuzes
Opofferingskosten
De kosten (of opbrengsten) van het alternatief waar je niet voor kiest > opportunity cost
Basisjaar
Het jaar dat als startpunt / basis word gebruikt voor de berekening van indexcijfers. Het
basisjaar word altijd gelijk gesteld aan 100
Inflatie
Stijging van de prijzen
Hyperinflatie
Extreme (dagelijkse) prijsstijgingen
Deflatie
Een daling van de prijzen.
Goede variant: door dalende productiekosten wordt de verkoopprijs verlaagd.
Slechte variant: veroorzaakt door te lage bestedingen (recessie).
Consumentenprijsindex (CPI)
Samengesteld gewogen prijsindex dat het prijsverloop weergeeft van een pakket goederen
en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door alle huishoudens in Nederland.
Prijsindexcijfer
Verhoudingsgetal voor prijsverandering van goederen en diensten
Koopkracht / reëel inkomen
De hoeveelheid goederen en diensten de je met je inkomen kunt komen > wordt bepaald
door nominaal inkomen en de prijzen
Nominaal inkomen
Het inkomen in euro’s > loon, rente, huur, pacht of winst
Prijscompensatie
Loonsverhoging om de gestegen prijzen te compenseren, de koopkracht blijft dan gelijk
, Geldontwaarding
Daling van de koopkracht. De waarde van het geld wordt minder omdat je minder kunt
kopen met helzelfde geld.
H2 Vermogen
Bezittingen – schulden
Stroomgrootheid
Een waarde die over een bepaalde periode wordt gemeten, en dus niet bij 1 moment hoort
Voorraadgrootheid
Een waarde die op een moment gemeten
Ruilen over de tijd
Consumptie nu vervangen door consumptie in de toekomst, of andersom
Risicoaversiteit
Afkerig van risico, de neiging die mensen meestal hebben om risico te vermijden
Samengestelde interest
Rente over rente. Rente word berekend over het ingelegde bedrag plus de bijgeschreven
rente uit eerdere jaren > spaarrekeningen
Enkelvoudige interest
Rente op een spaarrekening wordt berekent over het oorspronkelijke ingelegde bedrag
(nooit over rente uit eerdere jaren). Dit is standaard bij spaardeposito’s.
Tijdsvoorkeur
Consumenten die sparen, stellen hun consumptie uit door nu te sparen en later te
consumeren en hebben dus een lage tijdsvoorkeur
Sparen
Het deel van het besteedbare inkomen van een gezin dat niet aan consumptie wordt
uitgegeven
Beleggen
Geld uitzetten tegen een vergoeding, zoals rente en dividend
Rendement
De opbrengst van een belegging in procenten van het belegde bedrag
Aandeel
Een bewijs van eigendom van een bedrijf
Dividend
De betaling van de winst van een onderneming (bv of nv) aan haar aandeelhouders