Maw samenvatting 4V + 5V
1.1
Referentiekader (sociale bril): het geheel van kennis, ideeën, ervaringen en overtuigingen van
waaruit iemand denkt en handelt. Iedereen kijkt, ziet en beleeft de wereld op zijn of haar eigen
manier. > selectief waarnemen
Identiteit: wie iemand is. Hoort naam ook bij, gaat over beelden en ideeën. Drie aspecten van
identiteit:
1. Persoonlijke identiteit (Zelfbeeld): het beeld dat iemand van zichzelf heeft, uitdraagt en
anderen voorhoudt. Hangt ook af van mensen uit omgeving.
2. Sociale identiteit (Groepsidentificatie): het deel van iemands identiteit dat past bij de
groepen waar iemand deel van uitmaakt.
3. Collectieve identiteit: beeld dat mensen hebben van een groep, het beeld dat de blijvend
kenmerkend voor die groep vinden. Maar ook verwachtingen van gedrag.
Beelden en verwachtingen van iemands identiteit kunnen tot spanning leiden. Vb. De persoonlijke
identiteit van de individuele moslim botst met collectieve identiteit van moslims.
Ook van nieuwkomers wordt verwacht dat zij zich volledig aanpassen. Dan botsen de collectieve en
persoonlijke identiteit. Ze moeten hun persoonlijke identiteit achterlaten (assimilatie). Aanpassing is
een langzaam proces, dat generaties kan duren.
1.2
Wetmatigheid: er zijn bij MAW uitzonderingen. De woorden ‘vaker’ en ‘gemiddeld’ geven aan dat er
geen sprake is van 100%-wetmatigheid. Het woord kans is belangrijk: de waarschijnlijkheid dat een
bepaalde gebeurtenis zal optreden. Voorbeeld wetmatigheid: als je jong ongehuwd samenwoont
vaker relatiebreuk.
Variabele: een kenmerk van een actor of samenleving en kan variëren.
Sociale wetenschappers zoeken naar verbanden tussen variabelen en beschrijven daarmee
wetmatigheden in menselijk gedrag. We kunnen hoogstens van de waarschijnlijkheid spreken.
1.3
Socialisatie: het hele proces van (leren samenleven) overdracht en verwerving van de cultuur van
groepen en de samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding, opleiding
en andere vormen van omgang met anderen.
- Het proces van overdracht: mensen (socialisatoren) brengen de cultuur van een groep of
samenleving over aan ‘nieuwkomers’. Wat de gebruiken, regels en waarden zijn.
Er wordt gekeken naar de invloed van de socialisatoren op het individu.
- Het proces van verwerving: het eigen maken van cultuur. Ze nemen de waarden en normen
over > internaliseren. Vindt in diverse levensfasen plaats.
Er wordt ingezoomd op het individu zelf en hoe deze het gedrag van een samenleving
overnemen.
Bij socialisatie maken we onderscheid:
1. Primaire socialisatie: socialisatie tussen mensen die direct met elkaar verbonden zijn. (gezin
en vrienden = peergroup) Groepen waarin de leden een persoonlijke en emotionele band
met elkaar hebben. Regels staan niet op papier.
2. Secundaire socialisatie (sociale kleren): vindt plaats in formele sfeer, zoals school, het werk
of verenigingen. Mensen nemen waarden en normen van de groep over. Mensen maken
keuzes: je kiest zelf school, beroep en sportclub kiezen. Ze kunnen hierin wisselen. Binding in
secundaire groepen versterkt door collectieve rituelen; gemeenschapsgevoel en
groepsidentiteit versterkt.
, 3. Tertiaire socialisatie: vindt plaats door anonieme socialisatoren, actoren waarmee mensen
niet rechtstreeks een band hebben. Gebeurt impliciet, zonder dat ze het doorhebben. Op
school ongemerkt discipline, door de overheid (beïnvloeden) en door de media.
4. Politieke socialisatie: bijzondere vorm, in elk land bestaat er een politieke cultuur, met
specifieke regels en tradities die daarbij horen.
Iemand leert iets aan op twee manieren:
- Enculturatie: iemand leert de cultuur aan waarin hij geboren wordt.
- Acculturatie: aanleren van een cultuur die nieuw is voor mensen, bijvoorbeeld migranten of
bekeerden.
1.4
Bij onderzoek wordt vaak gekeken naar de relatie, het verband tussen verschillende variabelen. Heeft
variabele A invloed op variabele B?
Conceptueel model: wordt invloed van variabele A op variabele B weergeven. Wordt voorgelezen
van links naar rechts.
In de hokjes staan woorden, korte omschrijvingen van de variabele. De pijl geeft de relatie aan tussen
de twee.
Om het conceptueel model te kunnen onderzoeken staan de hokjes en pijlen in het model voor twee
hypothesen.
Hypothese: toetsbaar idee over de werkelijkheid, hoeft niet waar te zijn; na onderzoek wordt
hypothese aangenomen of verworpen.
Onderzoek doen gebeurt steeds volgens een vaste wijze
Begrippen:
Vorming: het hoofdconcept vorming verwijst naar te proces van verwerving van een bepaalde
identiteit.
Cultuur: het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die
mensen, als lid van een groep of samenleving hebben verworven
Ideologie: een samenhangend geheel van beginselen en denkbeelden, meestal uitmondend in
ideeën over de meest wenselijke maatschappelijke en politieke verhoudingen.
2.1
Binding: het hoofdconcept binding verwijst naar de relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen
mensen in een gezin of familie, tussen leden van een groep, in de maatschappij en op het niveau van
de staat.
Verschillende soorten bindingen:
1. Affectieve bindingen (verwijzen naar gevoelens om ergens bij te horen): emotionele
bindingen. Mensen geven elkaar liefde en steun en zijn daarvoor ook van elkaar afhankelijk.
2. Cognitieve bindingen: bindingen op het gebied van kennis. Ouders, leraren, dokteren of
journalisten.
3. Economische bindingen: bindingen die te maken hebben met werk en goederen.
Energiemaatschappij, bouwvakker en de bank.
4. Politieke bindingen: bindingen die te maken hebben met zaken die geregeld moeten worden
op het gebied van bijvoorbeeld onderwijs, zorg, verkeer en veiligheid. (collectieve goederen
en diensten). Die kunnen alleen worden geregeld door een overheid die over macht beschikt.
Groepsvorming: bindingen tussen meer dan twee mensen die tot stand komen, doordat ze elkaar
beïnvloeden en gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen. Mensen delen iets met
elkaar, bijvoorbeeld hobby of dezelfde interesse. Mensen die bij een groep willen horen, passen hun
gedrag aan de groepsnorm aan en beïnvloeden zelf ook weer de groepsnorm.
1.1
Referentiekader (sociale bril): het geheel van kennis, ideeën, ervaringen en overtuigingen van
waaruit iemand denkt en handelt. Iedereen kijkt, ziet en beleeft de wereld op zijn of haar eigen
manier. > selectief waarnemen
Identiteit: wie iemand is. Hoort naam ook bij, gaat over beelden en ideeën. Drie aspecten van
identiteit:
1. Persoonlijke identiteit (Zelfbeeld): het beeld dat iemand van zichzelf heeft, uitdraagt en
anderen voorhoudt. Hangt ook af van mensen uit omgeving.
2. Sociale identiteit (Groepsidentificatie): het deel van iemands identiteit dat past bij de
groepen waar iemand deel van uitmaakt.
3. Collectieve identiteit: beeld dat mensen hebben van een groep, het beeld dat de blijvend
kenmerkend voor die groep vinden. Maar ook verwachtingen van gedrag.
Beelden en verwachtingen van iemands identiteit kunnen tot spanning leiden. Vb. De persoonlijke
identiteit van de individuele moslim botst met collectieve identiteit van moslims.
Ook van nieuwkomers wordt verwacht dat zij zich volledig aanpassen. Dan botsen de collectieve en
persoonlijke identiteit. Ze moeten hun persoonlijke identiteit achterlaten (assimilatie). Aanpassing is
een langzaam proces, dat generaties kan duren.
1.2
Wetmatigheid: er zijn bij MAW uitzonderingen. De woorden ‘vaker’ en ‘gemiddeld’ geven aan dat er
geen sprake is van 100%-wetmatigheid. Het woord kans is belangrijk: de waarschijnlijkheid dat een
bepaalde gebeurtenis zal optreden. Voorbeeld wetmatigheid: als je jong ongehuwd samenwoont
vaker relatiebreuk.
Variabele: een kenmerk van een actor of samenleving en kan variëren.
Sociale wetenschappers zoeken naar verbanden tussen variabelen en beschrijven daarmee
wetmatigheden in menselijk gedrag. We kunnen hoogstens van de waarschijnlijkheid spreken.
1.3
Socialisatie: het hele proces van (leren samenleven) overdracht en verwerving van de cultuur van
groepen en de samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding, opleiding
en andere vormen van omgang met anderen.
- Het proces van overdracht: mensen (socialisatoren) brengen de cultuur van een groep of
samenleving over aan ‘nieuwkomers’. Wat de gebruiken, regels en waarden zijn.
Er wordt gekeken naar de invloed van de socialisatoren op het individu.
- Het proces van verwerving: het eigen maken van cultuur. Ze nemen de waarden en normen
over > internaliseren. Vindt in diverse levensfasen plaats.
Er wordt ingezoomd op het individu zelf en hoe deze het gedrag van een samenleving
overnemen.
Bij socialisatie maken we onderscheid:
1. Primaire socialisatie: socialisatie tussen mensen die direct met elkaar verbonden zijn. (gezin
en vrienden = peergroup) Groepen waarin de leden een persoonlijke en emotionele band
met elkaar hebben. Regels staan niet op papier.
2. Secundaire socialisatie (sociale kleren): vindt plaats in formele sfeer, zoals school, het werk
of verenigingen. Mensen nemen waarden en normen van de groep over. Mensen maken
keuzes: je kiest zelf school, beroep en sportclub kiezen. Ze kunnen hierin wisselen. Binding in
secundaire groepen versterkt door collectieve rituelen; gemeenschapsgevoel en
groepsidentiteit versterkt.
, 3. Tertiaire socialisatie: vindt plaats door anonieme socialisatoren, actoren waarmee mensen
niet rechtstreeks een band hebben. Gebeurt impliciet, zonder dat ze het doorhebben. Op
school ongemerkt discipline, door de overheid (beïnvloeden) en door de media.
4. Politieke socialisatie: bijzondere vorm, in elk land bestaat er een politieke cultuur, met
specifieke regels en tradities die daarbij horen.
Iemand leert iets aan op twee manieren:
- Enculturatie: iemand leert de cultuur aan waarin hij geboren wordt.
- Acculturatie: aanleren van een cultuur die nieuw is voor mensen, bijvoorbeeld migranten of
bekeerden.
1.4
Bij onderzoek wordt vaak gekeken naar de relatie, het verband tussen verschillende variabelen. Heeft
variabele A invloed op variabele B?
Conceptueel model: wordt invloed van variabele A op variabele B weergeven. Wordt voorgelezen
van links naar rechts.
In de hokjes staan woorden, korte omschrijvingen van de variabele. De pijl geeft de relatie aan tussen
de twee.
Om het conceptueel model te kunnen onderzoeken staan de hokjes en pijlen in het model voor twee
hypothesen.
Hypothese: toetsbaar idee over de werkelijkheid, hoeft niet waar te zijn; na onderzoek wordt
hypothese aangenomen of verworpen.
Onderzoek doen gebeurt steeds volgens een vaste wijze
Begrippen:
Vorming: het hoofdconcept vorming verwijst naar te proces van verwerving van een bepaalde
identiteit.
Cultuur: het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die
mensen, als lid van een groep of samenleving hebben verworven
Ideologie: een samenhangend geheel van beginselen en denkbeelden, meestal uitmondend in
ideeën over de meest wenselijke maatschappelijke en politieke verhoudingen.
2.1
Binding: het hoofdconcept binding verwijst naar de relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen
mensen in een gezin of familie, tussen leden van een groep, in de maatschappij en op het niveau van
de staat.
Verschillende soorten bindingen:
1. Affectieve bindingen (verwijzen naar gevoelens om ergens bij te horen): emotionele
bindingen. Mensen geven elkaar liefde en steun en zijn daarvoor ook van elkaar afhankelijk.
2. Cognitieve bindingen: bindingen op het gebied van kennis. Ouders, leraren, dokteren of
journalisten.
3. Economische bindingen: bindingen die te maken hebben met werk en goederen.
Energiemaatschappij, bouwvakker en de bank.
4. Politieke bindingen: bindingen die te maken hebben met zaken die geregeld moeten worden
op het gebied van bijvoorbeeld onderwijs, zorg, verkeer en veiligheid. (collectieve goederen
en diensten). Die kunnen alleen worden geregeld door een overheid die over macht beschikt.
Groepsvorming: bindingen tussen meer dan twee mensen die tot stand komen, doordat ze elkaar
beïnvloeden en gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen. Mensen delen iets met
elkaar, bijvoorbeeld hobby of dezelfde interesse. Mensen die bij een groep willen horen, passen hun
gedrag aan de groepsnorm aan en beïnvloeden zelf ook weer de groepsnorm.