ontwikkelingspathologie bij jeugdigen en kinderen
hoofdstuk 2 classificatie, diagnostiek en epidemiologie
• classificatiesystemen zijn systematische beschrijvingen van gedrag op basis van door
wetenschappers onderscheiden en gegroepeerde gedragskenmerken met als doel
gedrag delen bijvoorbeeld om te bepalen of er sprake is van een stoornis of onderscheid
te maken tussen stoornissen
• diagnostiek: gedragskenmerken en wordt vastgesteld of een kind lijdt onder de
problemen, behoefte heeft aan hulp of zorg en wel of niet optimaal functioneert
• epidemiologisch onderzoeken: vaststellen van factoren die de problematiek van
kinderen beïnvloeden, raakvlak met diagnostiek.
definitie van classificatie
- herkennen er de juiste naam aangeven en indelen juiste categorie: wat is dit?
- fresco 1994: menselijke behoefte om waarnemingsresultaten in te delen in bekende
categorieën
- cultuur en plaatsgebonden
- delen waarnemingen in omdat we behoefte hebben aan vereenvoudiging
- differentiaaldiagnose: of er een andere psychische stoornis is die dezelfde symptomen
kan veroorzaken en die dus uitgesloten moet worden
• DSM: diagnostic and statistical manual of mental disorders= classificeren van psychiche
stoornissen
- emil Kraepelin: grondlegger van moderne classificatesystematiek
- eerste classificatiesystemen: medische, somatische (lichamelijke) oriëntatie en waren
geen op de toenmalige populatie van inrichtingspsychiatrie met ernstige stoornissen
zoals psychose
- eerste DSM: 1952 -> psychoanalyse -> aandacht voor minder ernstige stoornissen
(neurose)
- DSM 2 -> 1968
- DSM 3 -> 1980: duidelijke breuk -> alleen waarneembare kenmerken en niet meer van
een bepaalde theorie over de oorzaak van een stoornis
- DSM 4 -> 1994 -> uitganspunten DSM 3
- DSM 4 TR-> 2000-> aangepaste versie
- DSM 5 -> 2013-> gebaseerd op afspraken die specialisten maken voor elke groep
stoornissen
• uitganspunten van DSM
- symptomen zijn observeerbare gedrags of innerlijke kenmerken die door de persoon zelf
zijn kenbaar gemaakt in een gesprek met de hulpverlener
- symptomen zijn een beschrijving van een stoornis en niet
een verklaring
• DSM stelt ook het aantal, duur en impact van symptomen
vast
• denken in categorieën
• De groepen stoornissen uit DSM 5
- ongeveer 300 stoornissen beschreven
,• comorbidteit= tegelijkertijd voorkomen van stoornissen
- psychische stoornissen hebben invloed op het functioneren van ons immuunsysteem
- In DSM wordt een stoornis categoriaal benaderd: alles of niets
- bij DSM 5 wordt toegewerkt naar een uitslag van wel of geen stoornis wordt bij
vragenlijsten de uitslag uitgedrukt in de mate van psychische problemen
• vergelijking tussen categoriaal en dimensionaal classificeren
- DSM populairder bij psychiaters en artsen
- CBCL populairder bij psychologen
➢ CBCL= dimensionale aanpak kan veranderingen beter in kaart brengen dan de DSM 5
die uitgaat van statische categorieën
➢ CBCL geen harde criteria, DSM wel
➢ handleiding van DSM niet staat wie moet beoordelen of een persoon een stoornis
lijdt, in prakrijk altijd de hulpverlener zal zijn die op grond van informatie uit
observaties en interviews tot een conclusie komt
➢ tegenpunten CBCL:
➢ DSM 5 over hele wereld verbreid
➢ CBCL werkt met genormeerde vragenlijsten die
voor elk land verschillend zijn.
➢ zeldzame stoornissen met bv 1 symptoom zijn
minder goed op te sporen met de CBCL en beter
met de DSM- systematiek
• diagnostiek: willen achterhalen hoe de stoornis is
ontstaan en waarom dit niet voorbij gaat
- diagnose houdt meer in dan het beschrijven van wat de
hulpverlener waarneemt en waar de classificatie op gestoeld is
- het verklaren en begrijpen van wat de hulpverlener waarneemt bij een uniek kind
,- classificatie van problemen gaat het om beantwoorden van de vraag wat er aan de hand
is en men kijkt daarbij alleen naar de klachten die het kind heeft of de zorgen die de
ouders over het kind hebben
• vier diagnostische methoden
- gesprek= belangrijkste instrument bij zowel classificatie als diagnostiek
➢ luisteren
➢ stellen van vragen
➢ observeren
- Anamnese: voorgeschiedenis van een stoornis, klacht of ziekte inbeeldt wordt gebracht
tijdens eerste gesprek-> mededelingen van het kind zelf en of belangrijke anderen zoals
ouders
➢ gezinsanamnese
➢ autoanamnese/ zelfanamnese: klachtgeschiedenis die de persoon met problemen
zelf toelicht
➢ heteroanamnese: gebaseerd op informatie van anderen
- drie voorwaarden Carl Rogers: empathie, acceptatie en zelfkennis
- observeren= opzettelijk, doelgericht en systematisch waarnemen
- observaties kunnen aanvullingen geven op een eerder gestelde classificatie en of
diagnose
- psychodiagnostiek= vragenlijsten, testen en beoordelingsschalen
➢ functietesten
➢ zelf invullijsten
➢ projectieve testen
- bekendste psychodiagnostische instrument is de intelligentietest
- Lichamelijk onderzoek:
- hulpverleners moeten zich afvragen of hun uitspraken betrouwbaar en valide zijn
➢ betrouwbaarheid= nauwkeurigheid
➔ overeenstemming: overeenkomst tussen de oordelen van verschillende
onderzoekers zoals hulpverleners: interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
➔ standvastigheid: stabiel blijven van een uitspraak bij het verstrijken van een
bepaalde tijd: test-hertestbetrouwbaarheid
➢ valide: de techniek die je gebruikt om iets vast te stelen meet wat deze beoogt te
meten en dat het meetresultaat de juiste afspiegeling is van de werkelijkheid
- prevalentie= percentage aan van een groep die een bepaalde stoornis heeft op een
bepaald moment in de tijd
- incidentie: het aantal nieuwe ziektegevallen in een bepaalde periode
, hoofdstuk 3 theorieën over ontwikkeling
bio-ecologische systeemtheorie
- lineaire causaliteit: gebeurtenis of kenmerk A veroorzaakt gedrag of ontwikkeling B
- A is de oorzaak en kan zowel gelegen zijn in de biologische gesteldheid van een persoon
als in zijn psychische kenmerken of de kenmerken van de sociale omstandigheden van de
persoon
- biopsychosociale model: om recht te doen aan de complexe invloeden op gedrag. dit
model laat zien dat gedrag beïnvloed wordt door zowel biologische als psychische en
sociale aspecten en de interactie daartussen
• bronfenbrenner is van mening dat de ontwikkeling van een kind alleen maar in zijn
natuurlijke sociale context adequaat kan worden bestudeerd -> ecologie
• 4 subsytemen
- mirco, meso, exo en macrosysteem
- 6 lagen:
1. intra persoonlijke kenmerken: persoon zelf met zijn persoonlijke kenmerken:
gedragskenmerken ook uiterlijke kenmerken
2. Het Microsysteem: ontwikkeling van de relaties tussen het kind en de persoon uit
zijn directe omgeving
➢ keerpuntervaring-> intieme liefdesrelatie
3. Het mesosysteem: gaat het om de ontwikkeling van de relaties tussen de
verschillende microsystemen waarvan kind deel uit maakt
4. het exosysteem: betreft meerdere maatschappelijke systemen waarvan kind niet
direct deel uitmaakt maar die wel via de micro en
mesosystemen zijn ontwikkeling indirect beïnvloeden
5. het macrosysteem: zonder mensen maar wel met wetten,
instituties en daarbij horende waarden en normen
6. het chronosysteem: ontwikkeling vindt altijd plaats in de tijd
- UITGANSPUNTEN
- lineaire causaliteit
- de context ontwikkelt zich mee
- subjectieve interpretatie
- interne locus of control
- directe en indirecte invloed van het exosysteem en het
macrosysreem via opvoeders
- synergie
• drie veronderstelling bij theorie over ontwikkelingsopgaven:
1. dat een bepaalde ontwikkelingsopgave in een bepaalde periode verschijnt
2. dat sommige van deze opgaven cultureel beïnvloed zijn
3. Dat het wel of niet adequaat volbrengen van de opgaven van invloed is op het gedrag
van een in een latere levensperiode