Drie belangrijke kenmerken van sociaal wetenschappelijk onderzoek:
streeft naar kennis en theorievorming: een samenhangend geheel van
uitspraken, waarmee fenomenen verklaar kunnen worden.
Een onderzoek is systematisch en controleerbaar.
Het maakt gebruik van empirische gegevens.
Een goede wetenschappelijke theorie heeft drie kenmerken:
Falsifieerbaar: de theorie kan weerlegd worden met systematische
waarnemingen.
Probabilistisch: uitspraken binnen een theorie gelden niet voor alle
gevallen of op elk moment in de tijd.
Spaarzaam( parsimonious): als een eenvoudige theorie volstaat, is het
niet nodig deze complexer te maken.
Drie verschillende onderzoeksvragen:
Fundamenteel/ basic: je wilt kennis op doen over een bepaald
onderwerp.
Toegepast/ applied: je wilt kennis op doen en deze toepassen in de
praktijk.
Translationeel: een brug tussen fundamenteel en toegepast onderzoek.
Het is gericht op het vertalen van fundamenteel onderzoek naar een
toegepast onderzoek.
Acroniemen van onderzoeksvragen:
, SPI(C)E acroniem PAC acroniem PICO acroniem
kwalitatief onderzoek correlationeel experimenteel
onderzoek onderzoek
Setting: waar? Population: wie? Population: de
Population: wie? Association: welk onderzochte groep
Interest: wat onderzoek verband/ relatie wordt Intervention: niveau’s
je? verwacht?( positief of van de gemanipuleerde
Comparison: met wat negatief?) variabele
vergelijk je het? Constructs: dit zijn de Comparison: de groepen
Evaluation: met welk theoretische die je vergelijkt
resultaat? begrippen waartussen Outcome: de gemeten
een verband verwacht variabele
wordt.
Soorten kwalitatieve onderzoeksmethoden:
Interviews
Focusgroepen
Observaties
Gebruik van bestaande data( gegevens die er zijn zonder voor jouw
onderzoek gegeneerd te zijn. Hierbij speelt reactiviteit geen rol.)
Soorten observatieonderzoek:
Participerend( etnografisch) vs. niet- participerend. ( is de onderzoeker
deel van het onderzoek?)
o Participant observers( complete observers) staan vaak heel
dicht bij de mensen die geobserveerd worden. Hierdoor kan de
onderzoeker de fenomenen goed observeren, maar kan hij ook té
betrokken raken met deze mensen, going native.
o Covert observers hebben meer afstand tot de participanten en
voorkomen hiermee ‘going native’, maar observeren hierdoor
objectiever waardoor misinterpretaties sneller voor kunnen komen.
Verhuld vs. onverhuld( wetende vs. niet-wetende participanten)
o Het gedrag van participanten wordt beïnvloed door de aanwezigheid
van een onderzoeker en het feit dat participanten weten dat ze
geobserveerd worden. Dit noem je reactiviteit.
Systematisch vs. niet-systematisch( zijn de onderzochte fenomenen
bekend of niet?)
Gatekeeper: een persoon met de autoriteit om buitenstaanders toegang tot een
bepaalde setting/cultuur toe te staan of te weigeren.
Key informant: een persoon die meestal vrij centraal of populair is binnen de
setting van het onderzoek, die zijn of haar kennis deelt met de onderzoeker. Dit
kan ook een persoon zijn met professionele of specifieke kennis over de sociale
omgeving.
Soorten steekproeven:
Selecte steekproeven Aselecte steekproeven
Gemakssteekproef: je kiest volledig enkelvoudig aselecte steekproef: