1-11-2021
Inleiding in de Methodologie en
Statistiek
D. van den Bos
,Inhoud
Hoorcollege week 1:...........................................................................................................................2
Hoorcollege week 2:...........................................................................................................................4
Hoorcollege week 3:.........................................................................................................................10
Hoorcollege week 4:.........................................................................................................................13
Hoorcollege week 6:.........................................................................................................................16
Hoorcollege week 7:.........................................................................................................................20
Hoorcollege week 8:.........................................................................................................................25
Hoorcollege week 9..........................................................................................................................30
1
,Hoorcollege week 1:
Psychologie = een wetenschappelijke discipline die gedrag en mentale processen (emotie, denken)
bestudeert met wetenschappelijke methoden.
De wetenschappelijke benadering:
1. Systematisch empirisme:
a. Het idee dat je kennis kunt vergaren door in de echte wereld te gaan kijken,
observatie. Maar dit wel op een systematische manier aanpakken.
2. Publieke verificatie:
a. Andere mensen kunnen bevestigen of ontkrachten dat jouw bevindingen juist zijn of
juist niet.
3. Oplosbare problemen
a. Het moet makkelijk te observeren zijn. dus niet bijvoorbeeld als vraag: bestaan
engelen echt.
Wetenschappers doen feitelijk 2 dingen:
1. Ontdekken en beschrijven van verschijnselen, patronen en relaties.
2. Verklaringen/theorieën opstellen, toetsen en evalueren.
Categorieën van (gedrags)onderzoek:
- Descriptief: beschrijven, inventariseren: Hoeveel depressies zijn er ontstaan gedurende de
lockdown.
- Correlationeel: relaties tussen verschijnselen. Hoe hangt het aantal depressie-diagnoses
samen met de lockdown?
- Experimenteel: oorzaak-gevolg (causale) relaties aantonen. Kenmerken: manipulatie, random
toewijzing en experimentele controle.
- Quasi-experimenteel: als experimenteel, maar met minder strenge controle en/of geen
random toewijzing (vaak ingezet als echt experimenteel onderzoek niet mogelijk is).
De empirische cyclus:
- Observatie
o De fase waarin er een idee ontstaat voor een onderzoek.
o Dit idee kan overal vandaan komen = vrijheid van onderwerp.
- Inductie
o Van een specifieke observatie wordt een algemene bredere theorie omschreven.
o Dit wordt ook wel een “leap of faith”.
o Theorie = verzameling uitspraken (proposities) die de relatie beschrijft tussen een
aantal begrippen (concepten).
o Van een specifieke observatie naar een algemene theorie. Een algemene theorie is
nog niet onderzoekbaar, deze is nog te algemeen.
- Deductie
o Uit algemene hypothese/theorie wordt een toetsbare werkhypothese
(onderzoeksvraag) afgeleid.
o Deductie = logica
o Het is een voorspelling die uit die theorie volgt.
- Toetsing
o Werkhypothese(n) toetsen door onderzoek daadwerkelijk uit te voeren.
2
, o Data verzamelen
o Analyseren van verzamelde data
o Conclusies trekken
Op basis van analyse
Naar aanleiding van de onderzoeksvraag
Over correctheid van werkhypothese(n)
- Evaluatie
o Wat zegt het resultaat over de algemene hypothese/theorie? bevestigen of
verwerpen?
o Theorie aanpassen, uitbreiden of verbeteren?
o Tekortkomingen aan ons onderzoek?
2 soorten definities:
1. Conceptuele definitie = wat wordt met een begrip bedoeld (abstract)
2. Operationele definitie = hoe wordt het begrip waargenomen, gemeten of gemanipuleerd
(concreet).
Kan een theorie bewezen worden?
- Positief bewijs (waar): logisch onmogelijk
- Negatief bewijs (niet waar): praktisch onmogelijk
Waar zijn we dan mee bezig?
- Bewijs verzamelen om een theorie te ondersteunen.
Kwaliteit van bewijs hangt af van:
- Strengheid van de tests
- Aantal bevestigingen
- Methodologisch pluralisme = gevarieerdheid methoden
Data = (vastgelegde) gegevens. Vormen de basis voor wetenschappelijk onderzoek.
Doel van onderzoek:
- Beschrijven, voorspellen en verklaren van verschillen in gedrag en mentale processen tussen
mensen (variabiliteit).
- Variabele = iets dat kan variëren
o Tussen personen (lengte, angst, motivatie)
o Tussen situaties (school vs. Privé)
o In de loop van de tijd (van kind naar volwassene)
- Variantie = maat voor variabiliteit (week 4)
o Bekijkt scores t.o.v. een standaard (het gemiddelde).
Opsplitsen van variantie:
Totale variantie = systematische variantie + fouten variance
Totale variantie (te verklaren variantie) = alle verschillen tussen individuen
Systematische variantie (verklaarde variantie) = verschillen door (samenhang met) bepaalde
variabele.
3