neuropsychologie en
psychofarmacologie (S25211)
___________________________________________________________________________________________________
1
In het tekstboek worden vijf belangrijke taken genoemd voor de
gedragsonderzoeker binnen de klinische neuropsychologie. Een van deze
taken is het bestuderen van de veranderlijkheid van de
gedragsmogelijkheden en beperkingen. Wat wordt hiermee in de praktijk
niet mee bedoeld?
a. Het vaststellen van herstel of deterioratie
b. Advisering over de gunstige omstandigheden voor de patiënt
c. Het bijdragen aan de prognose
d. Het bepalen van de anatomische afwijkingen in de hersenen met
behulp van beeldvormend onderzoek
2
Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.
I Een afwijkend scoreprofiel op neuropsychologische testen kan ook
voorkomen wanneer iemand gezond is
II klachten geven een betrouwbare indruk van de functiestoornissen
a. I en II zijn juist
b. Alleen I is juist.
c. Alleen II is juist
d. I en II zijn onjuist
3
Er zijn een aantal redenen waarom een neuropsycholoog op de hoogte
moet zijn van neurologische ziekteleer, neuroanatomie en
neurofysiologie. Welke reden hoort hier niet bij?
a. Om de hersenscans te kunnen interpreteren.
b. Om verwachtingen over gedragsafwijkingen te kunnen maken op
basis van een bepaalde laesie of ziekte.
c. Om de communicatie tussen arts en psycholoog te bevorderen.
d. Om te onderkennen wanneer testprestaties van een patiënt
beschouwd moeten worden als ‘te slecht om waar te zijn’.
4
In beeldvormend onderzoek naar bijvoorbeeld cerebrale stoornissen kan
het voorkomen dat er aandoeningen worden gesignaleerd die er niet zijn,
er is dan sprake van
a. False positive
b. False negative
c. Right positive
d. Right negative
___________________________________________________________________________________________________
2