Naar: (Gommers, et al., 2021)
§1 Voedingsstoffen
Voedingsmiddelen = alles wat je eet en drinkt
Voedingsstoffen = de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen
Deze zijn te gebruiken als:
Bouwstoffen voor organische moleculen bij de voortgezette assimilatie (voor groei,
vervanging van dode cellen en herstel van wonden)
Brandstoffen om energie te leveren voor de dissimilatie (om te bewegen, voor
homeostase, ontwikkeling en herstel)
Eiwitten (proteïnen)
- Functie: bouwstoffen in tussencelstof, nodig bij het transport van, de
celcommunicatie, chemische reacties, immuniteit en bloedstolling
- Een teveel wordt niet opgeslagen, maar omgezet in glucose en verbrand
- Essentiële aminozuren: moeten in voedsel aanwezig zijn, worden niet door de mens
gevormd
Koolhydraten (sachariden):
- Functie: vooral brandstof, ook bouwstof
- Een teveel aan opgenomen koolhydraten wordt omgezet in glycogeen of vet en
opgeslagen
Voedingsvezels:
- Stoffen afkomstig van plantaardige voedingsmiddelen die niet kunnen worden
verteerd
- Functie: de darmwerking bevorderen
Vetten (lipiden):
- Functie: vooral brandstof, ook bouwstof (fosfolipiden), oplosmiddel voor vitaminen
- Triglyceriden: vetmoleculen die zijn opgebouwd uit een glycerolmolecuul en drie
vetzuurmoleculen
- Een teveel wordt opgeslagen onder de huid en rondom organen
- Essentiële vetzuren: moeten in het voedsel aanwezig zijn
Water:
- Functie: bouwstof in lichaamscellen, oplosmiddel en transportmiddel, bepaalt de
osmotische waarde
- Organismen bestaan voor het grootste deel uit water
Mineralen (zouten):
- Functie: bouwstof in tussencelstof en beenweefsel
- Spoorelementen: mineralen die in geringe hoeveelheden aanwezig zijn in voedsel.
Spoorelementen zijn vaak bestanddeel van enzymen of hormonen
Vitaminen:
- Functie: bouwstof
- Vitaminecomplex: verzamelnaam voor verschillende vitaminen B waarbij de
afzonderlijke vitaminen worden aangegeven met cijfers zoals B1 en B6
- Bij een tekort aan vitaminen ontstaan gebreksziekten
, - Vitaminen kunnen niet in het lichaam worden gevormd en zijn dus essentieel.
Sommige vitaminen kunnen in het lichaam worden gevormd uit provitaminen.
Darmperistaltiek = Het afwisselend samentrekken van kringspieren en
lengtespieren in de wand van het darmkanaal waardoord
de voedselbrij wordt voortgeduwd, gekneed en gemengd met
de verteringssappen.
Verteringssappen = aan het voedselbrij toegevoegde sappen, afgegeven door
klieren en bevatten enzymen
Vertering:
- Mechanische vertering: kauwen en kneden
- Chemische vertering: enzymen in verteringssappen breken voedingsstoffen af tot
moleculen die cellen in de darmwand kunnen opnemen.
Mondholte:
- Speekselklieren: produceren speeksel
- Gebit: voedsel afbijten en verkleinen
Keelholte:
- Slikreflex: de huig sluit de neusholte af en het strotklepje sluit de luchtpijp af
Slokdarm:
- Verbindt de keelholte met de maag
Maag:
- Functie: tijdelijke opslagplaats van voedsel
- Kringspieren bij de ingang en uitgang
- Maagsapklieren produceren maagsap
- Zoutzuur (HCl) in maagsap zorgt voor een sterk zuur milieu waardoor bacteriën in het
voedsel worden gedood.
- Slijm in maagsap beschermt de maagwand tegen het maagsap.
Lever:
- Functie voor spijsvertering: produceert gal
- Gal bevat galkleurstoffen en galzouten
- Gal wordt tijdelijk opgeslagen in de galblaas en afgevoerd via de galbuis
Alvleesklier (pancreas)
- Produceert alvleessap
Twaalfvingerige darm:
- Vermengt gal en alvleessap met de voedselbrij
Dunne darm:
- Darmsapklieren produceren darmsap
§2 Het verteringsstelsel
Fagocytose:
- Het opnemen van voedsel in de cel door het afsnoeren van blaasjes
(voedingsvacuole)
- Een voedingsvacuole is een blaasje met voedingsstoffen dat ontstaat door instulping
en afsnoering van het celmembraan
Intracellulaire vertering = vertering in de cel
Extracellulaire vertering = vertering vindt plaats in een speciale ruimte in het lichaam