Auditing Theory
College 2 - Persoonlijke Analyse en Uitwerking Praktijkcasus
06-01-2021
Persoonlijke analyse: ‘Jensen, M.C., Meckling, W.H., “Theory of the Firm: Managerial
Behavior, Agency Costs and Ownership Structure’
Aanleiding
In het paper wordt voortgebouwd op de recentelijke vooruitgang in de theorie van
eigendomsrechten, agency én financiering om een theorie te ontwikkelen voor de
eigendomsstructuur van het bedrijf (Jensen & Meckling, 1976). De focus ligt op de contracten,
waarin de eigendomsrechten in vast liggen en wat de gedragsmatige gevolgen van deze
eigendomsrechten zijn, tussen de eigenaren en managers van het bedrijf.
Perspectief
Het paper kijkt vanuit een economische benadering naar het accountancyvraagstuk, waarbij eigenlijk
de relevantie/economische waarde van het accountantsberoep centraal staat. Verdient de
accountant zichzelf terug óf bestaat het beroep van de accountant enkel en alleen omdat bedrijven
simpelweg door wet- en regelgeving verplicht zijn een accountantscontrole uit te laten voeren. Met
de besproken theorie wordt in het paper een verklaring gegeven hiervoor. De uiteindelijke conclusie
is dat de accountant zichzelf terugverdient, aangezien het instellen van monitoring voor het bedrijf
agency kosten doet verlagen en de waarde van het bedrijf doet toenemen. Monitoring en bonding
hebben een positieve economische waarde.
Toelichting inhoud
Het paper gaat in op de principaal-agent relatie (agency theory), welke zij definieert als een contract
waarbij één of meerdere personen (principalen) een ander persoon (agent) in dienst nemen om
namens hen een dienst uit te voeren en waarbij deze agent wat beslissingsbevoegdheid tot zich
krijgt van de principalen. Hier wordt dus de situatie geschetst dat er sprake is van scheiding van
eigendom van een bedrijf, namelijk de aandeelhouders en het management. Verder gaat agency
theorie ervan uit dat er 3 partijen zijn, namelijk de principaal, agent en de monitor.
Jensen en Meckling veronderstellen verder dat principalen en agenten precies de kosten en baten
kennen en hoe deze verdeeld dienen te worden over de verschillende partijen. Aanvullend
veronderstellen zij dat individuen allen naar hun maximale welvaart zullen streven. Op basis van
deze laatste veronderstelling valt te concluderen dat de agent niet altijd in het belang van de
principaal zal handelen omdat hij anders niet zijn welvaart kan maximaliseren. Om dit risico voor
principalen te minimaliseren moeten zogenoemde agency kosten gemaakt worden. De som van
agency kosten is:
- Monitoring kosten, te maken door de principaal de principaal schakelt bijvoorbeeld een
accountant in voor een controle
- Bonding kosten, te maken door de agent de agent wil aan de principaal kenbaar maken
dat hij handelt in het belang van de principaal en zijn afspraken nakomt. Om dit aan te tonen
gaan kosten gemoeid.
, - Het ‘residual loss’ het restant, wat bestaat uit het verlies wat aandeelhouders leiden als
gevolg van door het management niet optimaal genomen beslissingen vóór de
aandeelhouders.
Het paper schetst vervolgens twee situaties om de aanwezigheid van agency kosten duidelijk te
maken. Eén situatie betreft het feit dat een manager 100% van de aandelen binnen een bedrijf bezit
en de tweede situatie betreft het feit dat een manager minder dan 100% van de aandelen binnen
bedrijf bezit. Vervolgens wordt verondersteld dat in het geval van een 100%-aandeel het marginale
voordeel van één extra euro besteed aan niet-geldelijke voordelen voor de manager gelijk is aan 0,
aangezien de manager het niet uitmaakt of hij deze voordelen in het bedrijf óf in de privésfeer
geniet. Op het moment dat minder dan 100% van de aandelen in bezit zijn van de manager zal de
manager zijn eigen welvaart vergroten door nog meer aan niet-geldelijke vergoedingen te besteden
dan nodig, op basis van de informatieasymmetrie die er speelt voor het deel van de aandelen die de
manager niet bezit. De manager zal dus enkel en alleen efficiënt zich inzetten voor het deel van de
aandelen die hij bezit én dit kan hij ook omdat er informatieasymmetrie is tussen de principaal en de
agent. Hierdoor ontstaan agency kosten.
Dit betreft figuur 1 uit het paper van Jensen en Meckling (1976). Hierbij wordt over de X-as de
waarde van de niet-geldelijke beloningen getoond en over de Y-as de waarde van het bedrijf. In het
geval van een manager met 100% aandelen betreft het de formule met lijn V – F met een coëfficiënt
van -1, wat inhoudt dat bij elke euro méér besteed aan niet-geldelijke beloningen, de waarde van
het bedrijf met 1 euro afneemt. De maximale utiliteit de manager in deze situatie eraan ontleent is
punt D. In het geval van een manager met minder dan 100% belang is sprake van de formule met lijn
V1 – P1, waarbij de manager zijn maximale utiliteit ontleent op punt A. Hier is te zien dat een
toename in niet-geldelijke vergoedingen niet leidt tot een evenredige afname van de waarde van het
bedrijf. Het verschil tussen punt A en V 0 (zie geel gearceerd) betreffen derhalve hier de agency
College 2 - Persoonlijke Analyse en Uitwerking Praktijkcasus
06-01-2021
Persoonlijke analyse: ‘Jensen, M.C., Meckling, W.H., “Theory of the Firm: Managerial
Behavior, Agency Costs and Ownership Structure’
Aanleiding
In het paper wordt voortgebouwd op de recentelijke vooruitgang in de theorie van
eigendomsrechten, agency én financiering om een theorie te ontwikkelen voor de
eigendomsstructuur van het bedrijf (Jensen & Meckling, 1976). De focus ligt op de contracten,
waarin de eigendomsrechten in vast liggen en wat de gedragsmatige gevolgen van deze
eigendomsrechten zijn, tussen de eigenaren en managers van het bedrijf.
Perspectief
Het paper kijkt vanuit een economische benadering naar het accountancyvraagstuk, waarbij eigenlijk
de relevantie/economische waarde van het accountantsberoep centraal staat. Verdient de
accountant zichzelf terug óf bestaat het beroep van de accountant enkel en alleen omdat bedrijven
simpelweg door wet- en regelgeving verplicht zijn een accountantscontrole uit te laten voeren. Met
de besproken theorie wordt in het paper een verklaring gegeven hiervoor. De uiteindelijke conclusie
is dat de accountant zichzelf terugverdient, aangezien het instellen van monitoring voor het bedrijf
agency kosten doet verlagen en de waarde van het bedrijf doet toenemen. Monitoring en bonding
hebben een positieve economische waarde.
Toelichting inhoud
Het paper gaat in op de principaal-agent relatie (agency theory), welke zij definieert als een contract
waarbij één of meerdere personen (principalen) een ander persoon (agent) in dienst nemen om
namens hen een dienst uit te voeren en waarbij deze agent wat beslissingsbevoegdheid tot zich
krijgt van de principalen. Hier wordt dus de situatie geschetst dat er sprake is van scheiding van
eigendom van een bedrijf, namelijk de aandeelhouders en het management. Verder gaat agency
theorie ervan uit dat er 3 partijen zijn, namelijk de principaal, agent en de monitor.
Jensen en Meckling veronderstellen verder dat principalen en agenten precies de kosten en baten
kennen en hoe deze verdeeld dienen te worden over de verschillende partijen. Aanvullend
veronderstellen zij dat individuen allen naar hun maximale welvaart zullen streven. Op basis van
deze laatste veronderstelling valt te concluderen dat de agent niet altijd in het belang van de
principaal zal handelen omdat hij anders niet zijn welvaart kan maximaliseren. Om dit risico voor
principalen te minimaliseren moeten zogenoemde agency kosten gemaakt worden. De som van
agency kosten is:
- Monitoring kosten, te maken door de principaal de principaal schakelt bijvoorbeeld een
accountant in voor een controle
- Bonding kosten, te maken door de agent de agent wil aan de principaal kenbaar maken
dat hij handelt in het belang van de principaal en zijn afspraken nakomt. Om dit aan te tonen
gaan kosten gemoeid.
, - Het ‘residual loss’ het restant, wat bestaat uit het verlies wat aandeelhouders leiden als
gevolg van door het management niet optimaal genomen beslissingen vóór de
aandeelhouders.
Het paper schetst vervolgens twee situaties om de aanwezigheid van agency kosten duidelijk te
maken. Eén situatie betreft het feit dat een manager 100% van de aandelen binnen een bedrijf bezit
en de tweede situatie betreft het feit dat een manager minder dan 100% van de aandelen binnen
bedrijf bezit. Vervolgens wordt verondersteld dat in het geval van een 100%-aandeel het marginale
voordeel van één extra euro besteed aan niet-geldelijke voordelen voor de manager gelijk is aan 0,
aangezien de manager het niet uitmaakt of hij deze voordelen in het bedrijf óf in de privésfeer
geniet. Op het moment dat minder dan 100% van de aandelen in bezit zijn van de manager zal de
manager zijn eigen welvaart vergroten door nog meer aan niet-geldelijke vergoedingen te besteden
dan nodig, op basis van de informatieasymmetrie die er speelt voor het deel van de aandelen die de
manager niet bezit. De manager zal dus enkel en alleen efficiënt zich inzetten voor het deel van de
aandelen die hij bezit én dit kan hij ook omdat er informatieasymmetrie is tussen de principaal en de
agent. Hierdoor ontstaan agency kosten.
Dit betreft figuur 1 uit het paper van Jensen en Meckling (1976). Hierbij wordt over de X-as de
waarde van de niet-geldelijke beloningen getoond en over de Y-as de waarde van het bedrijf. In het
geval van een manager met 100% aandelen betreft het de formule met lijn V – F met een coëfficiënt
van -1, wat inhoudt dat bij elke euro méér besteed aan niet-geldelijke beloningen, de waarde van
het bedrijf met 1 euro afneemt. De maximale utiliteit de manager in deze situatie eraan ontleent is
punt D. In het geval van een manager met minder dan 100% belang is sprake van de formule met lijn
V1 – P1, waarbij de manager zijn maximale utiliteit ontleent op punt A. Hier is te zien dat een
toename in niet-geldelijke vergoedingen niet leidt tot een evenredige afname van de waarde van het
bedrijf. Het verschil tussen punt A en V 0 (zie geel gearceerd) betreffen derhalve hier de agency