Boek 5a Thema 1: BS 1 t/m 6
Basisstof 1 verzuurde spieren
Spieren verzuren door zuurstoftekort.
Basisstof 2 stofwisseling in cellen
Stofwisseling/metabolisme: Geheel van chemische omzettingen in cellen organismen.
- Enzymen: maken omzettingsprocessen mogelijk.
- Levende cellen: Nemen stoffen op uit omgeving, zetten stoffen om en geven aan omgeving.
- Energie: Wordt opgenomen, omgezet en afgegeven.
- Cellen met chlorofyl: Kunnen energie in vorm van licht opnemen.
- Chemische energie: Energierijke stoffen.
o Moeten cellen die geen chlorofyl hebben opnemen.
o Onbruikbare stoffen en warmte worden afgestaan aan omgeving (zie afb 4 blz. 11)
Assimilatie en dissimilatie
- Assimilatie: Opbouw organische moleculen uit kleinere moleculen bij stofwisselingsreacties.
o Organismen bestaan uit organische moleculen.
o Dienen als brandstof, reservestof, bouwstof of informatiedrager.
- Voorbeelden organische stoffen: Koolhydraten, vetten, eiwitten en DNA.
- Grote organische moleculen
o Hierin zijn veel atomen met elkaar verbonden door energierijke bindingen.
o Om bindingen tot stand te brengen, is energie nodig.
- Dissimilatie: Afbraak van organische moleculen.
o Er komt energie bij vrij Nodig voor andere processen zoals veel transport.
o Verbranding in cellen is dissimilatieproces waarbij zuurstof wordt verbruikt.
Brandstof = glucose
Organische stoffen: Koolstofverbindingen
- Moleculen van organische stoffen bevatten 1/meer koolstofketens.
o Kunnen enkele tot duizenden koolstofatomen lang zijn.
- Bevat koolstof (C), waterstof (H) en soms zuurstof (O), stikstof (N), zwavel (S) en fosfor (P).
- Koolwaterstofverbinding is energierijk (C-H).
- Metaalionen kunnen zijn ingebouwd in organische moleculen (Bijv.: hemoglobine)
Anorganische stoffen: Koolstofverbindingen met kleine moleculen met slechts één koolstofatoom.
- Bijv.: CO, CO2 en carbonaat.
Glucose: C6H12O6
- Organische stof (= meerdere koolstofatomen).
- Relatief korte koolstofketen
Koolstofassimilatie: Glucosevorming uit anorganische stoffen (= CO2, H2O (of andere stof met H)).
- Energie voor nodig.
- Kunnen planten en cyanobacteriën want zijn autotroof.
o Gebruiken hiervoor energie uit (zon)licht = fotosynthese
, Voorgezette assimilatie
- Heterotrofe organismen: kunnen organische stoffen niet omzetten tot anorganische stoffen.
o Moeten voor opbouw cellen organische stoffen als voedsel opnemen.
- Glucose: grondstof voor vorming van andere koolhydraten, vetten eiwitten en DNA.
- Voortgezette assimilatie in autotrofe organismen: mineralen als nitraten en fosfaat nodig.
o Plant produceert in koolstofassimilatie (fotosynthese) glucose.
o Daarna in voortgezette assimilatie glucose eiwitten, vetten en koolhydraten.
-
Energietransport in cellen
- Stofwisselingsprocessen waarbij energie nodig is, zijn gekoppeld aan de splitsing van ATP
o Assimilatie van organische moleculen.
ATP (= Adenosinetrifosfaat): nucleotide (bouwsteen nucleïnezuur)
- ATP bestaat uit: Adenosine (= Adenine en ribose) en drie fosfaatgroepen.
- Gevormd bij: fotosynthese in chloroplasten en verbranding in mitochondriën.
- Afbraak ATP: ADP + Pi + energie
o ATP-moleculen transporteren chemische energie naar energiebehoefte plek in cel.
In bindingen van fosfaatgroepen is veel chemische energie vastgelegd.
o Als fosfaatgroep afgesplitst ontstaat ADP (= adenosinedifosfaat).
o Vrijgekomen energie wordt gebruikt voor levensprocessen als: samentrekking
spieren, stoffen transport of opbouw eiwitmoleculen.
- Opbouw ATP: ADP + Pi + energie ATP
o ATP kan worden gevormd bij dissimilatiereacties
o Bijv.: dissimilatie glucose en lichtreacties fotosynthese.
o Energie die bij dissimilatiereacties beschikbaar komt wordt gebruikt om P te binden
aan ADP ATP (Bindingsreacties is fosforylering).
o Vrije fosfaatgroep in reactievergelijking weergegeven als P i ( = inorganic phosphate)
Evolutie
- Assimilatie en handhaving van bouw van organisme alleen mogelijk door voortdurende
toevoer van energie uit omgeving. Bij afwezigheid geen leven mogelijk.
- Cellen reageren op veranderingen in temperatuur, zuurgraad en vochtgehalte van
omringende milieu en op stoffen die omringende cellen afgeven.
- Informatie in DNA-moleculen beïnvloedt bouw en stofwisseling.
o Wordt doorgegeven via DNA aan nieuwe generatie.
- Aarde ontstond ongeveer 4,6 miljard jaar geleden, toen was er geen leven.
- Biogenese: Leven ontstaat uit niet-leven.
o Verondersteld wordt dat eenvoudige organische verbindingen kunnen zijn ontstaan
bij vulkanische activiteit aan aardoppervlak van vroegere aarde (oersoep).
Basisstof 1 verzuurde spieren
Spieren verzuren door zuurstoftekort.
Basisstof 2 stofwisseling in cellen
Stofwisseling/metabolisme: Geheel van chemische omzettingen in cellen organismen.
- Enzymen: maken omzettingsprocessen mogelijk.
- Levende cellen: Nemen stoffen op uit omgeving, zetten stoffen om en geven aan omgeving.
- Energie: Wordt opgenomen, omgezet en afgegeven.
- Cellen met chlorofyl: Kunnen energie in vorm van licht opnemen.
- Chemische energie: Energierijke stoffen.
o Moeten cellen die geen chlorofyl hebben opnemen.
o Onbruikbare stoffen en warmte worden afgestaan aan omgeving (zie afb 4 blz. 11)
Assimilatie en dissimilatie
- Assimilatie: Opbouw organische moleculen uit kleinere moleculen bij stofwisselingsreacties.
o Organismen bestaan uit organische moleculen.
o Dienen als brandstof, reservestof, bouwstof of informatiedrager.
- Voorbeelden organische stoffen: Koolhydraten, vetten, eiwitten en DNA.
- Grote organische moleculen
o Hierin zijn veel atomen met elkaar verbonden door energierijke bindingen.
o Om bindingen tot stand te brengen, is energie nodig.
- Dissimilatie: Afbraak van organische moleculen.
o Er komt energie bij vrij Nodig voor andere processen zoals veel transport.
o Verbranding in cellen is dissimilatieproces waarbij zuurstof wordt verbruikt.
Brandstof = glucose
Organische stoffen: Koolstofverbindingen
- Moleculen van organische stoffen bevatten 1/meer koolstofketens.
o Kunnen enkele tot duizenden koolstofatomen lang zijn.
- Bevat koolstof (C), waterstof (H) en soms zuurstof (O), stikstof (N), zwavel (S) en fosfor (P).
- Koolwaterstofverbinding is energierijk (C-H).
- Metaalionen kunnen zijn ingebouwd in organische moleculen (Bijv.: hemoglobine)
Anorganische stoffen: Koolstofverbindingen met kleine moleculen met slechts één koolstofatoom.
- Bijv.: CO, CO2 en carbonaat.
Glucose: C6H12O6
- Organische stof (= meerdere koolstofatomen).
- Relatief korte koolstofketen
Koolstofassimilatie: Glucosevorming uit anorganische stoffen (= CO2, H2O (of andere stof met H)).
- Energie voor nodig.
- Kunnen planten en cyanobacteriën want zijn autotroof.
o Gebruiken hiervoor energie uit (zon)licht = fotosynthese
, Voorgezette assimilatie
- Heterotrofe organismen: kunnen organische stoffen niet omzetten tot anorganische stoffen.
o Moeten voor opbouw cellen organische stoffen als voedsel opnemen.
- Glucose: grondstof voor vorming van andere koolhydraten, vetten eiwitten en DNA.
- Voortgezette assimilatie in autotrofe organismen: mineralen als nitraten en fosfaat nodig.
o Plant produceert in koolstofassimilatie (fotosynthese) glucose.
o Daarna in voortgezette assimilatie glucose eiwitten, vetten en koolhydraten.
-
Energietransport in cellen
- Stofwisselingsprocessen waarbij energie nodig is, zijn gekoppeld aan de splitsing van ATP
o Assimilatie van organische moleculen.
ATP (= Adenosinetrifosfaat): nucleotide (bouwsteen nucleïnezuur)
- ATP bestaat uit: Adenosine (= Adenine en ribose) en drie fosfaatgroepen.
- Gevormd bij: fotosynthese in chloroplasten en verbranding in mitochondriën.
- Afbraak ATP: ADP + Pi + energie
o ATP-moleculen transporteren chemische energie naar energiebehoefte plek in cel.
In bindingen van fosfaatgroepen is veel chemische energie vastgelegd.
o Als fosfaatgroep afgesplitst ontstaat ADP (= adenosinedifosfaat).
o Vrijgekomen energie wordt gebruikt voor levensprocessen als: samentrekking
spieren, stoffen transport of opbouw eiwitmoleculen.
- Opbouw ATP: ADP + Pi + energie ATP
o ATP kan worden gevormd bij dissimilatiereacties
o Bijv.: dissimilatie glucose en lichtreacties fotosynthese.
o Energie die bij dissimilatiereacties beschikbaar komt wordt gebruikt om P te binden
aan ADP ATP (Bindingsreacties is fosforylering).
o Vrije fosfaatgroep in reactievergelijking weergegeven als P i ( = inorganic phosphate)
Evolutie
- Assimilatie en handhaving van bouw van organisme alleen mogelijk door voortdurende
toevoer van energie uit omgeving. Bij afwezigheid geen leven mogelijk.
- Cellen reageren op veranderingen in temperatuur, zuurgraad en vochtgehalte van
omringende milieu en op stoffen die omringende cellen afgeven.
- Informatie in DNA-moleculen beïnvloedt bouw en stofwisseling.
o Wordt doorgegeven via DNA aan nieuwe generatie.
- Aarde ontstond ongeveer 4,6 miljard jaar geleden, toen was er geen leven.
- Biogenese: Leven ontstaat uit niet-leven.
o Verondersteld wordt dat eenvoudige organische verbindingen kunnen zijn ontstaan
bij vulkanische activiteit aan aardoppervlak van vroegere aarde (oersoep).