Alle colleges ontwikkelingspsychologie
Hoorcollege 2 OWE 2 ontwikkelingspsychologie
Ontwikkelingspsychologische theorieën:
Psychoanalyse – (Freud):
Psychosociale theorie (Erickson)
Behaviorisme/sociale theorie (Watson Skinner)
Ecologisch model (Bronfenbrenner)
Cognitieve theorieën (o.a. Piaget, vygotsky)
de psychoseksuele ontwikkelingstheorie Sigmund Freud: hij kijkt naar binnen bij de mens. Wat zit er
in je onderbewustzijn aan gedachte, dit vind hij erg belangrijk.
Persoonlijkheid bestaat uit drie aspecten:
Es = aangeboren driften, seksuele driften die een mens stuurt. Een pasgeboren baby wordt alleen
hierdoor gestuurd -> aandacht, eten.
Ich = ontwikkelt zich in de eerste levensjaren, mensen accepteren de driften niet meer. Het rationele
Uber-ich = komt uit zichzelf, wat vind mijn geweten hiervan.
De vijf stadia van driftontwikkeling:
De orale fase (0-1 jaar) eten, drinken, zuigbehoefte, bezig zijn met de mond.
De anale fase (1-3 jaar) ontlasting en zindelijk worden.
De fallische fase (3-6 jaar) kind krijgt belangstelling op genitaliën. Freud zegt dat kinderen in
kleuterfase geslachtsverschil herkennen.
De latentiefase (6-12 jaar) driften gaan liggen.
De genitale fase (na 12 jaar) driftig (pubertijd) compleet gestuurd door driften.
Het cognitieve ontwikkelingsmodel van Jean Piaget: het gedrag van kinderen in een bepaalde fase is
een weerspiegeling van het denk en het kennis niveau. Kinderen actief hun omgeving exploreren.
Kinderen nemen kennis op zich en gaan daar actief mee aan de slag. Ze leren iets en gaan verder
waar ze waren.
Schema: een flexibel gedachtepatroon dat bedoeld is om vat te krijgen op een ervaring
Schema kan groeien door zich aan te passen aan de omgeving (adaptatie)
Adaptatie
Assimilatie: de nieuwe ervaring wordt binnen de beschikbare schema gepast. (kind ziet
hond)
accommodatie: onder invloed van nieuwe ervaringen worden bestaande schema’s
aangepast. (kind kent hond maar ziet ook een kat)
de leertheorie: 3 belangrijke stromingen (nurger)
- de klassieke conditionering (John Watson) leren is een relatief blijvende gedragsverandering
door een ervaring.
- Operante conditionering: iets wat je toch al weer wordt bekrachtigd. Gedrag moet getoond
worden voordat het wordt bekrachtigd.
- Sociaal leertheorie, modeling: mensen zijn cognitieve wezens, ze kunnen op de lange termijn
nadenken. Mensen leren van voorbeelden
Belangrijkste leerprincipes
Gewenning
Uitdoving
Bekrachtiging
, Straf
imitatie
Hoorcollege 3 OWE 2 ontwikkelingspsychologie
Lichamelijke (lichaamslengte) en motorische (spieren etc. wat het mogelijk maakt om te bewegen.
ontwikkeling:
Het begin…… 3 periodes tijdens zwangerschap:
Bevruchte eicel – o-2 weken
Embryo – 2-8 weken
Foetus – vanaf 3e maand tot de geboorte
Reflexen presenteren zich in de 5e maand.
Kan de ogen openen en sluiten in de 6 e maand.
Levensvatbaar tussen 22 en 26 weken.
Prematuur (voldragen) als baby meer dan drie weken voor de uitgerekende datum geboren is.
Apgar score:
Activiteit, pols (hartslag), grimace (prikkels), appearance (kleur), respiration (ademhaling).
Stadia in lichamelijke ontwikkeling:
Twee groeipatronen
- Cephaloclaudale groei- de groei ontwikkelt zich van kop tot teen.
- Proximodistale groei- de groei ontwikkelt zich van binnen naar buiten
Lichaamslengte:
- Tempo van groeien in het begin heel hoog en neemt af na de puberteit
Puberteit:
- Signalen van aanzienlijke groeispurt – snelle toename tot lengte en gewicht
- Meisjes tussen 11 en 16 jaar
- Jongens tussen 13 en 18 jaar
Hormonen en lichamelijke ontwikkeling
- Geslachtshormonen verantwoordelijk voor groei van geslachtskenmerken. Testosteron voor
de jongens en oestrogeen voor de meisjes.
- Groei van geslachtshormonen.
Differentiatie is de term die wordt gebruikt om de verwerving van een motorische vaardigheid te
beschrijven.
Grove motorische ontwikkeling verwijst naar de grote spiergroepen. Het kind leert door bewegen de
wereld om zich heen te verkennen (rollen,kruipen,lopen)
Fundamentele motorische vaardigheden:
- Locomotorische bewegingen = lopen, rennen, springen, klimmen
- Manipulatieve bewegingen = gooien, vangen, schoppen
- Stabiliserende bewegingen = buigen, rekken, rollen, balanceren
Hoorcollege 4 OWE 2 ontwikkelingspsychologie
Biologisch aspect van ontwikkeling
Erfelijkheid: (nature)
Hoorcollege 2 OWE 2 ontwikkelingspsychologie
Ontwikkelingspsychologische theorieën:
Psychoanalyse – (Freud):
Psychosociale theorie (Erickson)
Behaviorisme/sociale theorie (Watson Skinner)
Ecologisch model (Bronfenbrenner)
Cognitieve theorieën (o.a. Piaget, vygotsky)
de psychoseksuele ontwikkelingstheorie Sigmund Freud: hij kijkt naar binnen bij de mens. Wat zit er
in je onderbewustzijn aan gedachte, dit vind hij erg belangrijk.
Persoonlijkheid bestaat uit drie aspecten:
Es = aangeboren driften, seksuele driften die een mens stuurt. Een pasgeboren baby wordt alleen
hierdoor gestuurd -> aandacht, eten.
Ich = ontwikkelt zich in de eerste levensjaren, mensen accepteren de driften niet meer. Het rationele
Uber-ich = komt uit zichzelf, wat vind mijn geweten hiervan.
De vijf stadia van driftontwikkeling:
De orale fase (0-1 jaar) eten, drinken, zuigbehoefte, bezig zijn met de mond.
De anale fase (1-3 jaar) ontlasting en zindelijk worden.
De fallische fase (3-6 jaar) kind krijgt belangstelling op genitaliën. Freud zegt dat kinderen in
kleuterfase geslachtsverschil herkennen.
De latentiefase (6-12 jaar) driften gaan liggen.
De genitale fase (na 12 jaar) driftig (pubertijd) compleet gestuurd door driften.
Het cognitieve ontwikkelingsmodel van Jean Piaget: het gedrag van kinderen in een bepaalde fase is
een weerspiegeling van het denk en het kennis niveau. Kinderen actief hun omgeving exploreren.
Kinderen nemen kennis op zich en gaan daar actief mee aan de slag. Ze leren iets en gaan verder
waar ze waren.
Schema: een flexibel gedachtepatroon dat bedoeld is om vat te krijgen op een ervaring
Schema kan groeien door zich aan te passen aan de omgeving (adaptatie)
Adaptatie
Assimilatie: de nieuwe ervaring wordt binnen de beschikbare schema gepast. (kind ziet
hond)
accommodatie: onder invloed van nieuwe ervaringen worden bestaande schema’s
aangepast. (kind kent hond maar ziet ook een kat)
de leertheorie: 3 belangrijke stromingen (nurger)
- de klassieke conditionering (John Watson) leren is een relatief blijvende gedragsverandering
door een ervaring.
- Operante conditionering: iets wat je toch al weer wordt bekrachtigd. Gedrag moet getoond
worden voordat het wordt bekrachtigd.
- Sociaal leertheorie, modeling: mensen zijn cognitieve wezens, ze kunnen op de lange termijn
nadenken. Mensen leren van voorbeelden
Belangrijkste leerprincipes
Gewenning
Uitdoving
Bekrachtiging
, Straf
imitatie
Hoorcollege 3 OWE 2 ontwikkelingspsychologie
Lichamelijke (lichaamslengte) en motorische (spieren etc. wat het mogelijk maakt om te bewegen.
ontwikkeling:
Het begin…… 3 periodes tijdens zwangerschap:
Bevruchte eicel – o-2 weken
Embryo – 2-8 weken
Foetus – vanaf 3e maand tot de geboorte
Reflexen presenteren zich in de 5e maand.
Kan de ogen openen en sluiten in de 6 e maand.
Levensvatbaar tussen 22 en 26 weken.
Prematuur (voldragen) als baby meer dan drie weken voor de uitgerekende datum geboren is.
Apgar score:
Activiteit, pols (hartslag), grimace (prikkels), appearance (kleur), respiration (ademhaling).
Stadia in lichamelijke ontwikkeling:
Twee groeipatronen
- Cephaloclaudale groei- de groei ontwikkelt zich van kop tot teen.
- Proximodistale groei- de groei ontwikkelt zich van binnen naar buiten
Lichaamslengte:
- Tempo van groeien in het begin heel hoog en neemt af na de puberteit
Puberteit:
- Signalen van aanzienlijke groeispurt – snelle toename tot lengte en gewicht
- Meisjes tussen 11 en 16 jaar
- Jongens tussen 13 en 18 jaar
Hormonen en lichamelijke ontwikkeling
- Geslachtshormonen verantwoordelijk voor groei van geslachtskenmerken. Testosteron voor
de jongens en oestrogeen voor de meisjes.
- Groei van geslachtshormonen.
Differentiatie is de term die wordt gebruikt om de verwerving van een motorische vaardigheid te
beschrijven.
Grove motorische ontwikkeling verwijst naar de grote spiergroepen. Het kind leert door bewegen de
wereld om zich heen te verkennen (rollen,kruipen,lopen)
Fundamentele motorische vaardigheden:
- Locomotorische bewegingen = lopen, rennen, springen, klimmen
- Manipulatieve bewegingen = gooien, vangen, schoppen
- Stabiliserende bewegingen = buigen, rekken, rollen, balanceren
Hoorcollege 4 OWE 2 ontwikkelingspsychologie
Biologisch aspect van ontwikkeling
Erfelijkheid: (nature)