Basisstof 1 organismen
Organismen: organismen zijn levende wezens .
Stofwisselingen: bij een stofwisseling worden stoffen omgezet in andere
stoffen.
Individu: elk apart organisme.
Alle organismen vertonen 6 levensverschijnselen:
- ademhalen
- voeden stofwisselingen
- afvalstoffen uitscheiden: plassen en poepen
- groeien: een organisme wordt groter (bijv. langer, dikker of dunner)
- ontwikkelen: er ontstaan veranderingen in de bouw van een organisme
- voortplanten: individuen
Tijdens het leven kunnen individuen zich voortplanten ,zodat er
nakomelingen ontstaan. Daarna planten nakomelingen zich voort en ga zo
maar door. Dit noem je de levenscyclus.
Basisstof 2 organen, cellen en weefsels
Een organisme bestaat uit organen een orgaan is een deel van een
organisme met een of meer functies. Bijv. longen nemen zuurstof op en
geven koolstofdioxide af.
1
, Namen van organen die je moet kunnen aangeven:
Organenstelsel Groep samenwerkende organen. Bijv. het
verteringsstelsel, het beenstelsel (skelet), het spierstelsel ,het
bloedvatenstelsel,het ademhalingsstelsel en het zenuwstelsel.
Het verteringsstelsel bestaat uit: de slokdarm, lever, maag, dunne darm
en dikke darm
Organen zijn opgebouwd uit Cellen. Cellen zijn de kleinste delen van een
organisme. Ze bevatten alle genetische informatie. Dus bijv. of je een meisje of
een jongen bent wordt genetisch bepaalt. Ze worden vaak plat weergegeven in
boeken ,maar zijn in werkelijkheid niet plat. Een groep cellen met dezelfde bouw
en functie wordt een weefsel genoemd.
Tussencelstof bestaat uit dood materiaal. Of de tussencelstof hard, zacht of
vloeibaar is hangt af van de functie die de tussencelstof heeft.
Basisstof 3 werken met een microscoop
Onderdelen van een schoolmicroscoop:
2
Organismen: organismen zijn levende wezens .
Stofwisselingen: bij een stofwisseling worden stoffen omgezet in andere
stoffen.
Individu: elk apart organisme.
Alle organismen vertonen 6 levensverschijnselen:
- ademhalen
- voeden stofwisselingen
- afvalstoffen uitscheiden: plassen en poepen
- groeien: een organisme wordt groter (bijv. langer, dikker of dunner)
- ontwikkelen: er ontstaan veranderingen in de bouw van een organisme
- voortplanten: individuen
Tijdens het leven kunnen individuen zich voortplanten ,zodat er
nakomelingen ontstaan. Daarna planten nakomelingen zich voort en ga zo
maar door. Dit noem je de levenscyclus.
Basisstof 2 organen, cellen en weefsels
Een organisme bestaat uit organen een orgaan is een deel van een
organisme met een of meer functies. Bijv. longen nemen zuurstof op en
geven koolstofdioxide af.
1
, Namen van organen die je moet kunnen aangeven:
Organenstelsel Groep samenwerkende organen. Bijv. het
verteringsstelsel, het beenstelsel (skelet), het spierstelsel ,het
bloedvatenstelsel,het ademhalingsstelsel en het zenuwstelsel.
Het verteringsstelsel bestaat uit: de slokdarm, lever, maag, dunne darm
en dikke darm
Organen zijn opgebouwd uit Cellen. Cellen zijn de kleinste delen van een
organisme. Ze bevatten alle genetische informatie. Dus bijv. of je een meisje of
een jongen bent wordt genetisch bepaalt. Ze worden vaak plat weergegeven in
boeken ,maar zijn in werkelijkheid niet plat. Een groep cellen met dezelfde bouw
en functie wordt een weefsel genoemd.
Tussencelstof bestaat uit dood materiaal. Of de tussencelstof hard, zacht of
vloeibaar is hangt af van de functie die de tussencelstof heeft.
Basisstof 3 werken met een microscoop
Onderdelen van een schoolmicroscoop:
2