{2.3 De steden komen weer tot bloei}
De grotere hoeveelheid voedsel had twee gevolgen: de bevolking kon groeien en de handel nam toe,
doordat boeren hun overschotten op lokale markten gingen verkopen. Bewoners onderhandelde
met hun landheren over voorrechten, ook wel privileges, zoals het recht om een (jaar) markt te
houden of de eigen rechtspraak te regelen. Een ander privilege was tolvrijheid: daarbij hoefden de
kooplieden geen belasting meer te betalen als ze hun handelswaar door het gebied van de heer
vervoeren. Een ander woord voor privileges is stadsrecht.
Begrip los:
Geldeconomie: Een economie waarin geld het voornaamste ruilmiddel is.
{2.4 Pausen en koningen}
Er heersten een strijd om de hoogste macht tussen de adel en de geestelijken. In de vroege
middeleeuwen werd dit verwoord in de tweezwaardenleer. Volgens deze leer was de wereld
verdeeld in twee machtssferen: een geestelijke en een wereldrijke.
Terwijl het Duitse Rijk verbrokkeld bleef, slaagden koningen in andere landen erin hun macht te
verstevigen en te regeren vanuit één plaats. Dit noemen we centralisatie. Leenmannen konden hun
greep op hun grondgebied verstevigen en een voorzichtig begin maken met het creëren van
bestuurlijke eenheid in bepaalde gebieden. Deze ontwikkeling heet staatsvorming.
In Engeland was de positie van de koning sterk vanaf 1066, toen Willem de Veroveraar vanuit
Frankrijk het land veroverde en de politieke organisatie van het land opnieuw vormgaf. Uiteindelijk
ging de koning akkoord met deze eisen, die werden vastgelegd in de ‘grote oorkonde’, Magna Carta
geheten. Voortaan moest de Engelse koning meer rekening houden met de adel en de steden in zijn
land.
{3.1 De renaissance}
Het typerende van de periode die de Renaissance wordt genoemd, is het genieten van het leven dat
in die tijd opbloeit. Mensen gingen anders tegen zichzelf en de wereld aankijken. We duiden dat aan
als een verandering in het mensbeeld en het wereldbeeld. De mens begon meer op zichzelf te
vertrouwen en zichzelf centraal te stellen. Daarom raakten de mensen op aarde ook steeds meer
geïnteresseerd in het leven op aarde en de precieze werking van natuur en samenleving. Het
ideaalbeeld werd de algemeen ontwikkelde mens (uomo universale).
De belangstelling van geleerden voor de antieke literatuur, poëzie en geschiedenis noemen we
humanisme. Met de kennis van Latijn en Grieks keken humanisten namelijk kritisch naar de Latijnse
Bijbelvertaling, die in de kerk veel werd gebruikt.
{3.2 Europeanen ontdekken wereld}
Er zijn 3 gevolgen van ontdekkingsreizen. Ten eerste verspreidde het christendom zich over de hele
wereld. Ten tweede ontstond een wereldeconomie, waarbij op grote schaal producten uit
verschillende werelddelen werden uitgewisseld. Een derde gevolg raakte vooral de Indianen: in
Amerika verdwenen hele koninkrijken, zoals die van de Azteken, binnen enkele decennia van de
aardbodem.
De grotere hoeveelheid voedsel had twee gevolgen: de bevolking kon groeien en de handel nam toe,
doordat boeren hun overschotten op lokale markten gingen verkopen. Bewoners onderhandelde
met hun landheren over voorrechten, ook wel privileges, zoals het recht om een (jaar) markt te
houden of de eigen rechtspraak te regelen. Een ander privilege was tolvrijheid: daarbij hoefden de
kooplieden geen belasting meer te betalen als ze hun handelswaar door het gebied van de heer
vervoeren. Een ander woord voor privileges is stadsrecht.
Begrip los:
Geldeconomie: Een economie waarin geld het voornaamste ruilmiddel is.
{2.4 Pausen en koningen}
Er heersten een strijd om de hoogste macht tussen de adel en de geestelijken. In de vroege
middeleeuwen werd dit verwoord in de tweezwaardenleer. Volgens deze leer was de wereld
verdeeld in twee machtssferen: een geestelijke en een wereldrijke.
Terwijl het Duitse Rijk verbrokkeld bleef, slaagden koningen in andere landen erin hun macht te
verstevigen en te regeren vanuit één plaats. Dit noemen we centralisatie. Leenmannen konden hun
greep op hun grondgebied verstevigen en een voorzichtig begin maken met het creëren van
bestuurlijke eenheid in bepaalde gebieden. Deze ontwikkeling heet staatsvorming.
In Engeland was de positie van de koning sterk vanaf 1066, toen Willem de Veroveraar vanuit
Frankrijk het land veroverde en de politieke organisatie van het land opnieuw vormgaf. Uiteindelijk
ging de koning akkoord met deze eisen, die werden vastgelegd in de ‘grote oorkonde’, Magna Carta
geheten. Voortaan moest de Engelse koning meer rekening houden met de adel en de steden in zijn
land.
{3.1 De renaissance}
Het typerende van de periode die de Renaissance wordt genoemd, is het genieten van het leven dat
in die tijd opbloeit. Mensen gingen anders tegen zichzelf en de wereld aankijken. We duiden dat aan
als een verandering in het mensbeeld en het wereldbeeld. De mens begon meer op zichzelf te
vertrouwen en zichzelf centraal te stellen. Daarom raakten de mensen op aarde ook steeds meer
geïnteresseerd in het leven op aarde en de precieze werking van natuur en samenleving. Het
ideaalbeeld werd de algemeen ontwikkelde mens (uomo universale).
De belangstelling van geleerden voor de antieke literatuur, poëzie en geschiedenis noemen we
humanisme. Met de kennis van Latijn en Grieks keken humanisten namelijk kritisch naar de Latijnse
Bijbelvertaling, die in de kerk veel werd gebruikt.
{3.2 Europeanen ontdekken wereld}
Er zijn 3 gevolgen van ontdekkingsreizen. Ten eerste verspreidde het christendom zich over de hele
wereld. Ten tweede ontstond een wereldeconomie, waarbij op grote schaal producten uit
verschillende werelddelen werden uitgewisseld. Een derde gevolg raakte vooral de Indianen: in
Amerika verdwenen hele koninkrijken, zoals die van de Azteken, binnen enkele decennia van de
aardbodem.