T3 bs. 1 t/m 6 + week 10 t/m 13.
Thema 3: Genetica
§1 Fenotype en Genotype
● Fenotype: alle waarneembare eigenschappen van een individu.
● Genotype: de informatie voor alle erfelijke eigenschappen van dat individu.
- De informatie voor erfelijke eigenschappen ligt op de chromosomen (langgerekte
dunne draden)
- Een mens heeft in een lichaamscel 23 paar chromosomen (2n)
❖ 22 paar autosomen (gelijke chromosomenparen)
❖ 1 paar geslachtschromosomen
❖ Chromosomen die gelijk van lengte en vorm zijn, heten homologe
chromosomen.
❖ Een karyotype of karyogram is een rangschikking van chromosomen.
● Gen: een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor een of meer
erfelijke eigenschappen of een deel van een erfelijke eigenschap.
- Allel: variant van een gen
- Een DNA-molecuul is opgebouwd uit aan elkaar gekoppelde nucleotiden.
- Een nucleotide bestaat uit een fosfaatgroep, desoxyribose en een
stikstofbase.
- Er zijn vier verschillende stikstofbasen: adenine (A), thymine (T), cytosine (C)
en guanine (G)
- Basenparing: de stikstofbasen van de twee nucleotideketens zijn met elkaar
verbonden en vormen vaste paren: A met T en C met G
❖ Genoom: alle DNA-moleculen in een cel
❖ DNA-sequentie: specifieke volgorde van de stikstofbasen
❖ Genexpressie: wanneer genen worden aangezet en tot uiting komen
❖ Inactivatie: genen staan uit
- Fenotype = genotype + milieufactoren
↳ voeding, licht, temperatuur
- Modificatie: verandering van het fenotype.
↳ De informatie in de chromosomen verandert bij een modificatie niet en wordt niet
doorgegevn aan nakomelingen.
- Aangeboren aandoening/afwijking → afwijking, aandoening of ziekte die in de
baarmoeder ontstaat.
- Erfelijke ziekte → afwijking, aandoening, of ziekte die genetisch via de ouders wordt
doorgegeven.
§2 Genenparen
- Locus: plaats van een gen in het chromosoom.
- In lichaamscellen komen genen in paren voor.
- In geslachtscellen komen genen enkelvoudig voor.
● Homozygoot: het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee gelijke allelen.
● Heterozygoot: het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee ongelijke allelen.
Thema 3: Genetica
§1 Fenotype en Genotype
● Fenotype: alle waarneembare eigenschappen van een individu.
● Genotype: de informatie voor alle erfelijke eigenschappen van dat individu.
- De informatie voor erfelijke eigenschappen ligt op de chromosomen (langgerekte
dunne draden)
- Een mens heeft in een lichaamscel 23 paar chromosomen (2n)
❖ 22 paar autosomen (gelijke chromosomenparen)
❖ 1 paar geslachtschromosomen
❖ Chromosomen die gelijk van lengte en vorm zijn, heten homologe
chromosomen.
❖ Een karyotype of karyogram is een rangschikking van chromosomen.
● Gen: een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor een of meer
erfelijke eigenschappen of een deel van een erfelijke eigenschap.
- Allel: variant van een gen
- Een DNA-molecuul is opgebouwd uit aan elkaar gekoppelde nucleotiden.
- Een nucleotide bestaat uit een fosfaatgroep, desoxyribose en een
stikstofbase.
- Er zijn vier verschillende stikstofbasen: adenine (A), thymine (T), cytosine (C)
en guanine (G)
- Basenparing: de stikstofbasen van de twee nucleotideketens zijn met elkaar
verbonden en vormen vaste paren: A met T en C met G
❖ Genoom: alle DNA-moleculen in een cel
❖ DNA-sequentie: specifieke volgorde van de stikstofbasen
❖ Genexpressie: wanneer genen worden aangezet en tot uiting komen
❖ Inactivatie: genen staan uit
- Fenotype = genotype + milieufactoren
↳ voeding, licht, temperatuur
- Modificatie: verandering van het fenotype.
↳ De informatie in de chromosomen verandert bij een modificatie niet en wordt niet
doorgegevn aan nakomelingen.
- Aangeboren aandoening/afwijking → afwijking, aandoening of ziekte die in de
baarmoeder ontstaat.
- Erfelijke ziekte → afwijking, aandoening, of ziekte die genetisch via de ouders wordt
doorgegeven.
§2 Genenparen
- Locus: plaats van een gen in het chromosoom.
- In lichaamscellen komen genen in paren voor.
- In geslachtscellen komen genen enkelvoudig voor.
● Homozygoot: het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee gelijke allelen.
● Heterozygoot: het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee ongelijke allelen.