Samenvatting biologie thema 2 V6
Transportsystemen
Bij kleine organisme (vaak eencelligen) verloopt transport van stoffen over korte afstanden
door middel van diffusie. Bij grotere organisme is dit doormiddel van een vatenstelsel. Bij
planten is dit een stelsel die maar twee kanten op gaat, maar bij dieren is het vaak circulair,
er stroomt een vloeistof constant rond doormiddel van een pomp (hart).
Geleedpotigen hebben een open circulatiesysteem, hierbij pompt het hart
lichaamsvloeistoffen vrij door het lichaam, wat op die manier dus bij de organen komt.
Andere dieren hebben een (gesloten) bloedsomloop. Hierbij pompt het hart bloed,
gescheiden van andere lichaamsvloeistoffen, door de bloedvaten. Hierdoor kan de transport
over grotere afstanden plaatsvinden.
Gewervelde dieren hebben een bloedsomloop. Vissen hebben een enkelvoudige
bloedsomloop, dit houdt in dat het bloed slechts één
keer door het hart gaat. De omloop bij vissen gaat als
volgt: eerst gaat het bloed de boezem in, daar wordt het
doorgepompt naar de kamer, vervolgens pompt de
kamer het bloed naar de kieuwen, waar zuurstof wordt
opgenomen, dit gaat dan naar de organen en vervolgens
weer terug naar de boezem. Bloedsomloop bij een vis
De mens heeft een dubbele bloedsomloop. Het bloed stroomt per omloop twee keer door
het hart. Het hart bestaat dan ook uit twee helften, de linkerharthelft en de
rechterharthelft. De rechterhelft pompt het (zuurstofarme) bloed naar de longen, vanuit
daar het gaat het direct naar de linkerharthelft. In de longen wordt zuurstof opgenomen en
koolstofdioxide afgegeven. Dit stukje van de bloedsomloop heet de kleine bloedsomloop.
Vanuit de linkerhelft stroomt het bloed naar alle organen en geeft daarbij zuurstof af en
neemt koolstofdioxide en andere afvalstoffen op, daarna komt het weer terug in de
rechterhelft. Dit is de grote bloedsomloop. Door de dubbele omloop is er meer druk in de
vaten en dus kan transport over een grote afstand plaatsvinden. De bloedsomloop is nodig
voor homeostase.
Amfibieën hebben een bloedsomloop met één kamer, hierdoor wordt een deel van het
bloed naar de longen en huid geperst en de rest naar de organen. Reptielen hebben een
onvolledige tussenwand, het zuurstofarme en zuurstofrijke bloed is dus wel enigszins
gescheiden, maar niet helemaal. Als er geen ademhaling is kan het bloed naar beide aorta’s,
als er wel ademhaling is kan door een verschil in druk in de longen en het feit dat de
rechterhelft net iets eerder samentrekt, het zuurstofarme bloed Bloedsomloop bij een mens (vooraanzicht)
toch groten deels naar de longen. Zoogdieren en vogels hebben dus een dubbele
bloedsomloop en de helften van de kamers gescheiden door een tussenwand, hierdoor is
zuurstofrijk en zuurstofarm bloed dus volledig gescheiden van elkaar.
Voor de geboorte krijgt een foetus zijn zuurstof en voedingsstoffen via de placenta, ademen
is nog niet mogelijk. Hierom is er tussen de rechter- een de linkerboezem een opening, het
Transportsystemen
Bij kleine organisme (vaak eencelligen) verloopt transport van stoffen over korte afstanden
door middel van diffusie. Bij grotere organisme is dit doormiddel van een vatenstelsel. Bij
planten is dit een stelsel die maar twee kanten op gaat, maar bij dieren is het vaak circulair,
er stroomt een vloeistof constant rond doormiddel van een pomp (hart).
Geleedpotigen hebben een open circulatiesysteem, hierbij pompt het hart
lichaamsvloeistoffen vrij door het lichaam, wat op die manier dus bij de organen komt.
Andere dieren hebben een (gesloten) bloedsomloop. Hierbij pompt het hart bloed,
gescheiden van andere lichaamsvloeistoffen, door de bloedvaten. Hierdoor kan de transport
over grotere afstanden plaatsvinden.
Gewervelde dieren hebben een bloedsomloop. Vissen hebben een enkelvoudige
bloedsomloop, dit houdt in dat het bloed slechts één
keer door het hart gaat. De omloop bij vissen gaat als
volgt: eerst gaat het bloed de boezem in, daar wordt het
doorgepompt naar de kamer, vervolgens pompt de
kamer het bloed naar de kieuwen, waar zuurstof wordt
opgenomen, dit gaat dan naar de organen en vervolgens
weer terug naar de boezem. Bloedsomloop bij een vis
De mens heeft een dubbele bloedsomloop. Het bloed stroomt per omloop twee keer door
het hart. Het hart bestaat dan ook uit twee helften, de linkerharthelft en de
rechterharthelft. De rechterhelft pompt het (zuurstofarme) bloed naar de longen, vanuit
daar het gaat het direct naar de linkerharthelft. In de longen wordt zuurstof opgenomen en
koolstofdioxide afgegeven. Dit stukje van de bloedsomloop heet de kleine bloedsomloop.
Vanuit de linkerhelft stroomt het bloed naar alle organen en geeft daarbij zuurstof af en
neemt koolstofdioxide en andere afvalstoffen op, daarna komt het weer terug in de
rechterhelft. Dit is de grote bloedsomloop. Door de dubbele omloop is er meer druk in de
vaten en dus kan transport over een grote afstand plaatsvinden. De bloedsomloop is nodig
voor homeostase.
Amfibieën hebben een bloedsomloop met één kamer, hierdoor wordt een deel van het
bloed naar de longen en huid geperst en de rest naar de organen. Reptielen hebben een
onvolledige tussenwand, het zuurstofarme en zuurstofrijke bloed is dus wel enigszins
gescheiden, maar niet helemaal. Als er geen ademhaling is kan het bloed naar beide aorta’s,
als er wel ademhaling is kan door een verschil in druk in de longen en het feit dat de
rechterhelft net iets eerder samentrekt, het zuurstofarme bloed Bloedsomloop bij een mens (vooraanzicht)
toch groten deels naar de longen. Zoogdieren en vogels hebben dus een dubbele
bloedsomloop en de helften van de kamers gescheiden door een tussenwand, hierdoor is
zuurstofrijk en zuurstofarm bloed dus volledig gescheiden van elkaar.
Voor de geboorte krijgt een foetus zijn zuurstof en voedingsstoffen via de placenta, ademen
is nog niet mogelijk. Hierom is er tussen de rechter- een de linkerboezem een opening, het