Cellen en weefsels.
Doelstellingen:
De student kan een beschrijving noemen van de cel, het metabolisme,
verschillende reacties, de rol en de eigenschapen van enzymen.
De cel is de kleinste lichaamseenheid die nog zelfstandig kan functioneren.
Metabolisme (stofwisseling) is het geheel van alle biochemische reacties in
levende cellen. Je hebt anabole reacties (kosten energie) = assimilatie ze zijn
nodig voor de bouw opbouw, opslag, groei en herstel en onderhoud van weefsels.
Katabole reacties (maken energie vrij) = dissimilatie Er vind daarbij afbraak van
stoffen plaats waarbij energie vrijkomt. Vaak bij beweging.
Alle stofwisselingsreacties vinden plaats met behulp van enzymen. Enzymen zijn
eiwitten die de cel zelf maakt en zorgen dat de reacties versnellen. Ze zijn reactie
specifiek en hebben een optimumtempratuur waarbij ze het beste presteren (37
graden) = lichaamstemp.
Een omschrijving geven van de bouw van de cel en het celmembraan.
De cel bestaat uit cytoplasma met daarin de organellen gelegen. Om elke cel zit
een celmembraan. Het cytoplasma bestaat uit het waterige cytosol en de
organellen. De celmembraan vormt een scheiding tussen de intra en extra-
cellulaire ruimte. (ruimte buiten de cel en de ruimte binnen de cel).
Celmembraan is opgebouwd uit een dubbele laag fosfolipiden die een hydrofobe
en hydrofiele kant hebben.
Verschillende vormen van transport via het celmembraan beschrijven:
diffusie, osmose en membraantransport.
Diffusie is het verspreiden van een stof met een hoge concentratie naar een lage
concentratie. Denk aan deo door de kamer spuiten. Osmose is het verspreiden
van bv water via een semi permeabele wand. Het water wordt opgenomen aan
de kant met de hoogste concentratie. Diffusie en osmose is passief transport. Bij
membraantransport heb je onderscheidt tussen actief en passief transport.
Passief transport is transport dat geen energie kost. Bij en cel is dat water en
lucht. Actief transport kost de cel energie en komt bij bijna alle stoffen voor.
Voorbeeld actief transport is blaasjes transport en de enzymatische pomp.
De bouw en functie van verschillende organellen.
Celkern (nucleus): regelt alle stofwisseling voor de cel, DNA wordt hierin
vastgelegd. Bestaat uit kernporiën kernmembraan en kernplasma. De celkern
stuurt alles aan.
Ribosomen: Ribosomen zijn bolletjes die los in het cytoplasma kunnen liggen, of
gelegen aan het ER. Ribosomen zorgen voor de eiwitsynthese. Ze bevatten hun
eigen rRNA.
Ruw ER: met aanliggende ribosomen.
Glad ER: Zonder ribosomen. Speelt een rol bij: cholesterol- en lipidenaanmaak
voor celmembranen, vorming van koolhydraten en afvoer van gifstoffen zoals
alcohol.
, Golgicomplex: In het ER gevormde stoffen worden hier naartoe gevoerd en
verwerkt. Het is een drukke werkplaats waar alle halve stoffen een geheel
worden gemaakt en via de producten worden via blaasjes weer verder afgevoerd
naar een ander organel.
Lysosoom: Wordt gevormd door het golgicomplex. Het zijn kleine blaasjes die
veel verschillende enzymen bevatten. Zorgt voor de afbraak van stoffen zoals
eiwitten, koolhydraten vetten etc.
Mitochondriën: Een mitochondrie is een energieleverancier voor de gehele cel.
Een centrosoom: een centrosoom is een spoellichaampje. Helpt bij de mitose
(celdeling).
Een omschrijving van een weefsel:
Een weefsel is een groep cellen met dezelfde bouw en functie.
Een omschrijving geven van de bouw en functie van verschillende typen
dekweefsel, steunweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel.
Epitheelweefsel
Epitheelweefsel is een samenstelling van dicht bij elkaar liggende cellen met zeer
weinig tussenstof. Het epitheelweefsel bedekt de lichaamsoppervlakken aan de
buitenzijde van het lichaam en bekleed de binnenzijde van de holle organen. Een
speciale vorm van epitheel is klierweefsel de klieren vormt.
Steunweefsel
Steunweefsel is een samenstelling van cellen met veel tussenstof. Het
steunweefsel kan verschillende functies hebben zoals het verbinden van delen
van het lichaam of het beschermen en ondersteunen van het lichaam. Er zijn drie
soorten weefsel te onderscheiden: bindweefsel, kraakbeenweefsel en botweefsel.
Spierweefsel
Spierweefsel is een samenstelling van cellen die gespecialiseerd zijn in contractie
en het genereren van kracht. In het lichaam komt drie soorten spierweefsel voor
namelijk dwarsgestreept-, hart en gladspierweefsel.
Zenuwweefsel
Het zenuwweefsel vormt het zenuwstelsel en bestaat hoofdzakelijk uit twee
soorten cellen: de zenuwcellen en steuncellen. Het zenuwweefsel heeft als
functie het waarnemen, verwerken en verspreiden van informatie en het
organiseren en coördineren van lichaamsfuncties.
Weefsels van het bewegingsapparaat
Het bewegingsapparaat is opgebouwd uit steunweefsel (bindweefsel, kraakbeen
en bot) en het dwarsgestreepte spierweefsel (skeletspieren). Deze twee weefsels
vormen de beenderen, gewrichten en skeletspieren.
WC 2
Anatomie en fysiologie van de huid
Anatomie: