H15 Waarnemen
15.2 Het gehoorzintuig
Zintuigcellen die prikkels zoals druk of beweging ontvangen, noemen we receptorcellen. Ze maken de
‘input’ van informatie mogelijk.
1) De mechanoreceptoren; gevoelig voor aanraking, druk of zwaartekracht.
2) De chemoreceptoren; gevoelig voor geurstoffen, CO2- en O2-gehalte en PH.
3) De thermoreceptoren; reageren op de temperatuur.
4) De fotoreceptoren; reageren op licht (bevinden zich in je oog).
Elke type receptorcel is gevoelig voor zijn eigen type prikkel, de zogenoemde adequate prikkel. Deze
leidt tot verandering in het membraanpotentiaal. Hierdoor gaan de natriumpoorten bij de mechano-
en thermoreceptoren direct open. Bij de chemo- en fotoreceptoren gaat dit aan de hand van
meerdere reacties, een G-eiwit en een secundaire boodschapper.
Als de prikkeldrempel bereikt wordt, vindt een volledige depolarisatie van het membraan plaats.
Hierbij openen de calciumpoorten en lozen de receptorcellen een exciterende neurotransmitter. Hoe
sterker de prikkel, hoe meer neurotransmitter er vrijkomt en dus hoe hoger de frequentie van
impulsen in het sensorisch neuron.
15.3 Het gezichtszintuig
Bij het verkleinen van je iris trekken de kringspieren samen, met als gevolg minder lichtinval. Bij het
vergroten van de iris (of het vergroten van je pupil) trekken de straalsgewijs lopende spiertjes samen.
Een ooglens is m.b.v. lensbandjes verbonden aan het straalvormige lichaam.
a. Wanneer de lensbandjes zich aanspannen en het straalvormige lichaam zich ontspant,
ontstaat er een lens in een platte vorm en een grote opening voor lichtinval.
b. Wanneer de lensbandjes zich ontspannen en het straalvormige lichaam zich aanspant,
ontstaat er een bolle lens en een kleinere opening in het midden.
Deze vormverandering van je ooglens bij het scherpstellen heet accommoderen.
De plek waar zich uitsluitend kegeltjes bevinden en waarmee je de beelden scherp ziet, noemen we
de gele vlek. De plek in het netvlies waar de oogzenuw het oog uitgaat, heet de blinde vlek.
Bij te veel lichtbreking kun je op lange afstand niet scherp zien. Je bent dan bijziend. Om de
lichtstralen te divergeren heb je een holle lens nodig (-bril).
Bij te weinig lichtstraling ben je verziend, waardoor je van dichtbij niet goed kunt zien. Om de
lichtstralen meer te convergeren is een bolle lens nodig (+bril).
In het chiasma opticum kruisen beide gezichtszenuwen zich en verwisselen de uitlopers van de
zenuwcellen van zenuwbaan. Vanaf hier gaat de informatie uit beide linkerhelften van het netvlies
samen verder en die uit beide rechterhelften gaan samen verder.
- De staart van de vogel valt op het rechter deel van netvlies (zowel linker als rechter oog).
- De kop van de vogel valt op het linker deel van netvlies (‘’)
Van beide delen komen beide beelden in één hersenhelft terecht (BiNaS 87C4).
Dit kleine verschil in informatie gebruiken de hersenen om afstand in te schatten: je kunt diepte zien.
15.2 Het gehoorzintuig
Zintuigcellen die prikkels zoals druk of beweging ontvangen, noemen we receptorcellen. Ze maken de
‘input’ van informatie mogelijk.
1) De mechanoreceptoren; gevoelig voor aanraking, druk of zwaartekracht.
2) De chemoreceptoren; gevoelig voor geurstoffen, CO2- en O2-gehalte en PH.
3) De thermoreceptoren; reageren op de temperatuur.
4) De fotoreceptoren; reageren op licht (bevinden zich in je oog).
Elke type receptorcel is gevoelig voor zijn eigen type prikkel, de zogenoemde adequate prikkel. Deze
leidt tot verandering in het membraanpotentiaal. Hierdoor gaan de natriumpoorten bij de mechano-
en thermoreceptoren direct open. Bij de chemo- en fotoreceptoren gaat dit aan de hand van
meerdere reacties, een G-eiwit en een secundaire boodschapper.
Als de prikkeldrempel bereikt wordt, vindt een volledige depolarisatie van het membraan plaats.
Hierbij openen de calciumpoorten en lozen de receptorcellen een exciterende neurotransmitter. Hoe
sterker de prikkel, hoe meer neurotransmitter er vrijkomt en dus hoe hoger de frequentie van
impulsen in het sensorisch neuron.
15.3 Het gezichtszintuig
Bij het verkleinen van je iris trekken de kringspieren samen, met als gevolg minder lichtinval. Bij het
vergroten van de iris (of het vergroten van je pupil) trekken de straalsgewijs lopende spiertjes samen.
Een ooglens is m.b.v. lensbandjes verbonden aan het straalvormige lichaam.
a. Wanneer de lensbandjes zich aanspannen en het straalvormige lichaam zich ontspant,
ontstaat er een lens in een platte vorm en een grote opening voor lichtinval.
b. Wanneer de lensbandjes zich ontspannen en het straalvormige lichaam zich aanspant,
ontstaat er een bolle lens en een kleinere opening in het midden.
Deze vormverandering van je ooglens bij het scherpstellen heet accommoderen.
De plek waar zich uitsluitend kegeltjes bevinden en waarmee je de beelden scherp ziet, noemen we
de gele vlek. De plek in het netvlies waar de oogzenuw het oog uitgaat, heet de blinde vlek.
Bij te veel lichtbreking kun je op lange afstand niet scherp zien. Je bent dan bijziend. Om de
lichtstralen te divergeren heb je een holle lens nodig (-bril).
Bij te weinig lichtstraling ben je verziend, waardoor je van dichtbij niet goed kunt zien. Om de
lichtstralen meer te convergeren is een bolle lens nodig (+bril).
In het chiasma opticum kruisen beide gezichtszenuwen zich en verwisselen de uitlopers van de
zenuwcellen van zenuwbaan. Vanaf hier gaat de informatie uit beide linkerhelften van het netvlies
samen verder en die uit beide rechterhelften gaan samen verder.
- De staart van de vogel valt op het rechter deel van netvlies (zowel linker als rechter oog).
- De kop van de vogel valt op het linker deel van netvlies (‘’)
Van beide delen komen beide beelden in één hersenhelft terecht (BiNaS 87C4).
Dit kleine verschil in informatie gebruiken de hersenen om afstand in te schatten: je kunt diepte zien.