Eco toets 2
H3.2:
Belastingsystemen:
Progressief = een hoger percentage naarmate je meer verdient
Proportioneel = blijft de hele tijd hetzelfde percentage
Degressief = hoe meer je verdient, hoe lager je percentage
Inkomensheffing = bruto inkomen + bijtellingen – aftrekposten = belastbaar inkomen
Belastingschijven
-heffingskortingen
Netto inkomen = bruto loon – inkomensheffing
Hoe bepaal je brutoloon: maandloon + vakantiegeld + 13e maand? + eigen woningforfait
Aftrekposten = hypotheekrente of bijv. studiekosten
Gemiddelde belastingdruk = bedrag wat je moet betalen : inkomen
Marginale belastingtarief = hoogste belastingtarief waarin iemand met zijn inkomen zit
H4.6:
OZB = belasting die je betaalt aan de gemeente voor het hebben (ozb voor eigenaren) en
gebruiken (ozb voor gebruikers) van een woning.
WOZ waarde = de waarde waarover je de huizenbelasting betaalt en de waarde waarover je
je eigen woningforfait en belastbaar inkomen berekent.
Eigen woning forfait= percentage van de woz waarde waarmee je de bijtelling eigen woning
voor inkomsten belasting berekent.
Hypothecaire lening is de lening over je huis/onroerend goed
Onderpand = iets wat de bank van jou mag verkopen als je niet aan je verplichtingen voldoet
zoals een huis.
Netto maandlast = wat je mag betalen na aftrek van belasting bijtellingen/ aftrekposten
Analyse kopen of huren:
Huren brengt minder risico’s met zich mee en bij een koopwoning krijg je extra kosten maar
je hebt in een koopwoning wel meer eigen vrijheid.
Belasting voordeel= belastingtarief x betaalde rente
Stroomgrootheden = in en uit gaans geld
H3.2:
Belastingsystemen:
Progressief = een hoger percentage naarmate je meer verdient
Proportioneel = blijft de hele tijd hetzelfde percentage
Degressief = hoe meer je verdient, hoe lager je percentage
Inkomensheffing = bruto inkomen + bijtellingen – aftrekposten = belastbaar inkomen
Belastingschijven
-heffingskortingen
Netto inkomen = bruto loon – inkomensheffing
Hoe bepaal je brutoloon: maandloon + vakantiegeld + 13e maand? + eigen woningforfait
Aftrekposten = hypotheekrente of bijv. studiekosten
Gemiddelde belastingdruk = bedrag wat je moet betalen : inkomen
Marginale belastingtarief = hoogste belastingtarief waarin iemand met zijn inkomen zit
H4.6:
OZB = belasting die je betaalt aan de gemeente voor het hebben (ozb voor eigenaren) en
gebruiken (ozb voor gebruikers) van een woning.
WOZ waarde = de waarde waarover je de huizenbelasting betaalt en de waarde waarover je
je eigen woningforfait en belastbaar inkomen berekent.
Eigen woning forfait= percentage van de woz waarde waarmee je de bijtelling eigen woning
voor inkomsten belasting berekent.
Hypothecaire lening is de lening over je huis/onroerend goed
Onderpand = iets wat de bank van jou mag verkopen als je niet aan je verplichtingen voldoet
zoals een huis.
Netto maandlast = wat je mag betalen na aftrek van belasting bijtellingen/ aftrekposten
Analyse kopen of huren:
Huren brengt minder risico’s met zich mee en bij een koopwoning krijg je extra kosten maar
je hebt in een koopwoning wel meer eigen vrijheid.
Belasting voordeel= belastingtarief x betaalde rente
Stroomgrootheden = in en uit gaans geld