Leg uit welke metabole en structurele veranderingen er optreden en
welke symptomen aanwezig zijn bij patiënten met klinische depletie,
of een onderliggend ziektebeeld.
Bij klinische depletie is er sprake van een ziekte, verlies van spiermassa en
een gestoord koolhydraat-, vet en eiwitmetabolisme. Er is ook een verlies van
spiermassa van 70-80% (multifactoreel). Er is altijd sprake van een ontsteking
in het lichaam.
Precachexie: beperkt onbedoeld gewichtsverlies door ziekte (anorexie,
verhoogd CRP). Gewichtsverlies >5%.
Refractaire cachexie: vergevorderd stadium van cachexie.
Anorecie-cachexie syndroom: gekenmerkt door aanwezigheid van anorexie
(gebrek aan eetlust), asthenie (algehele zwakte) en cachexie.
Bij cachexie is er sprake van een katabole invloed van ziekte. Ook is er sprake
van inflammatie. Hierdoor zijn er veranderingen in de energiebehoefte
wordt hoger.
Wasting: onvoldoende voeding intake door obstructie. Verandering in de
mogelijkheid om voedingsstoffen te absorberen of verteren. Of door
bijwerkingen van therapie.
Het belangrijkste verschil tussen cachexie en starvation:
- Bij cachexie gaat het energieverbruik in rust omhoog.
- Eiwitafbraak gaat omhoog
- Er is sprake van inflammatie (ontsteking)
Symptomen cachexie:
- Anorexie
- Verminderde spiermassa (sarcopenie)
- Afgenomen spierkracht
- Ernstige vermoeidheid
- Ernstig gewichtsverlies (≥10% in 12 maanden of minder)
, - Sterk verminderde inname
- Inflammatie:
Beschrijf welke behandelingen worden toegepast bij kanker en
verklaar de bijwerkingen die hierbij op kunnen treden.
Chirurgie
Vooral mogelijk als de tumor klein is, niet in andere organen is doorgegroeid
en niet is uitgezaaid. Het is ook mogelijk om metastaten chirurgisch te
verwijderen.
Soms moet het hele orgaan met bijbehorende lymfeklieren worden
weggenomen. Niet alleen om tumorcellen te verwijderen, maar ook om het
stadium van de tumor en daarmee de noodzaak tot aanvullende behandeling
te bepalen.
Voedselinname is soms kort, maar soms ook lange tijd gestoord.
Bij chirurgie aan organen die bij de spijsvertering betrokken zijn ontstaat
tijdelijk of blijvend functieverlies van de voedselinname, vertering en/of
resorptie.
Chirurgie verhoogt de voedingsbehoefte, 7-14 dagen voorafgaand aan
operatie klinisch voeden om voedingstoestand te optimaliseren.
Radiotherapie
De straling verstoord het proces met de celdeling. Cellen gaan direct dood of
kunnen niet meer verder delen en sterven op lange termijn af.
Tumorcellen zijn gevoeliger voor bestraling dan gezonde cellen, maar ook
gezond sneldelend weefsel is er gevoelig voor, zoals de epitheellaag van het
maag-darmkanaal.
Als de mond-keelholte, slokdarm, maag of darmen in het bestralingsgebied
liggen, worden de slijmvliezen van die organen beschadigd en kunnen
droogte, hinderlijke slijmvorming en mucositis ontstaan.
Meestal verdwijnen deze bijwerkingen bij acute schade weer, als gezond
epitheelweefsel zich herstelt.
Late stralenschade is chronisch en kan een halfjaar tot jaren na de bestraling
optreden door stenose, litteken- of fistelvorming en bloedvatbeschadiging.
Tijdens en na de bestraling treedt er vaak hinderlijke vermoeidheid op.
De huidige radiotherapieplanningssystemen maken het mogelijk om klinische
acute toxiciteit te voorspellen. Op basis van de risico-inschatting op acute
toxiciteit kan de voedselbegeleiding worden geïndividualiseerd.
Chemotherapie
Cytostatica (celdodende of celremmende medicijnen) worden per infuus
toegediend of oraal gebruikt. Vaak in combinatie met andere behandelingen.
Neoadjuvant: voor een operatie of bestraling
Adjuvant: na een operatie of bestraling
Er zijn veel soorten, met elk een specifieke werking en bijwerkingen.
Door verspreiding via de bloedbaan kan chemotherapie schade veroorzaken
aan sneldelende weefsels in het hele lichaam.
Belangrijkste bijwerking van alle soorten chemo is het toxische effect op
bloedcellen, vooral de afbraak van witte bloedcellen en bloedplaatjes.
Hierdoor ontstaan complicaties zoals bloedingen, infecties en sepsis
(bloedvergiftiging).