en Europees recht B1
Overzicht tentamenstof
2014-2015
Europees recht
Historisch overzicht en algemene aspecten
De Europese samenwerking is opgekomen als reactie op de twee wereldoorlogen.
,Na de Tweede Wereldoorlog:
Economische puinhoop
Groot wantrouwen tussen staten
Noodzaak van wederopbouw
Marshallplan (plan van de Verenigde Staten om ervoor te zorgen dat de
Europese economie zou herstellen)
Idealen en oplossingen die opkwamen na de Tweede Wereldoorlog:
Wederzijdse afhankelijkheid en samenwerking
Belangrijkste productiemiddelen moeten worden gedeeld
o Energie: kolen, atoomenergie
o Staal
o Landbouw
Vrije handel tussen staten moet worden gestimuleerd
o Tegengaan van protectionisme (= het beschermen van de eigen
productie)
o Niet monopoliseren, maar delen en concurreren
De macht van de staat is afgenomen, terwijl de macht van marktpartijen is
toegenomen.
De idealen gingen ook verder op anderen terreinen. Een Europese
defensiegemeenschap en politieke Unie waren in die tijd echter nog niet
haalbaar. Wat er wel gebeurde:
1949 – Raad van Europa
Hoofddoel: beschermen van de rechten van de mens
Belangrijkste uitvloeisels hiervan zijn het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens (EVRM) en het Europees Hof voor de rechten van de
Mens (EHRM)
1951 – Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS)
Zes lidstaten (België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland)
Gemeenschappelijke markt voor kolen en staal
Hoofddoel: vrije handel, protectionisme uitbannen
1957 – Europese Economische Gemeenschap (EEG)
In het begin zes lidstaten (België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en
Nederland), naar verloop van tijd treden er steeds meer lidstaten toe
Houdt zich bezig met de economie in algemenere zin
Hoofddoel: vrije handel, oftewel het verwijderen van belemmeringen in het
economisch verkeerd
o Verbod op douaneheffingen
o Verwijderen van beperkingen op vrij verkeer van productiemiddelen
o Vrije concurrentie
o Gemeenschappelijk handelsbeleid naar buiten toe
Jaren ’70 – Ideaal: een Economische en Monetaire Unie
Dit ideaal wordt geen werkelijkheid, de staten blijven een eigen munt
houden en een eigen economisch en monetair beleid voeren.
, Door de crisis en recessie van de jaren ’70 gaat men denken dat Europa
helemaal geen succes is.
Jaren ’80 – Aanvankelijk wil de voltooiing van de interne markt niet vlotten
1986 – Europese Akte (aanpassing oprichtingsverdragen: EEG, EGKS en
Euratom)
o Nieuwe impuls aan de interne markt
o Gemakkelijker om Europese harmoniserende regelgeving vast te
stellen
Tijdpad voor voltooiing van de interne markt: op naar 1992!
Nieuw plan voor de EMU
o Europees Stelsel voor Centrale Banken
o Europese Centrale Bank
o Overdracht van bevoegdheden op monetair trein
o Tijdpad
1992 – Verdrag van Maastricht
Verdrag betreffende de Europese Unie
EG-verdrag – Verdergaande integratie (‘supranationaal’)
o De interne markt is gerealiseerd, voortaan Europese Gemeenschap
in plaats van Economische Europese Gemeenschap
o Oprichting EMU
o Erkenning van mensenrechten
o Verdergaande mogelijkheden voor besluitvorming
EU-verdrag – Nieuwe beleidsterreinen (‘intergouvernementeel’)
o Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB)
o Politiële en Justitiële samenwerking (PJS)
De pijlerstructuur van het verdrag van Maastricht:
Pijler 1 (supranationaal) – Gemeenschappelijke instellingen, die tezamen
de EG vormen:
o Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
o Europese Economische Gemeenschap
o Europese Gemeenschap voor atoomenergie (Euratom)
Pijler 2 (intergouvernementeel) – Gemeenschappelijk Buitenlands en
Veiligheidsbeleid (GBVB)
Pijler 3 (intergouvernementeel) – Politiële en Justitiële samenwerking (PJS)
1998 – Verdrag van Amsterdam
Besluitvormingsstructuur aangepast (meer democratie, meer
supranationaal)
Nummering aangepast
2001 – Verdrag van Nice
Weer aanpassingen in de tekst (meer bevoegdheden, meer duidelijkheid)
Handvest voor de Grondrechten van de EU bekendgemaakt (niet bindend)
2002 – Invoering van de Euro
2004 – De ‘big bang’
Uitbreiding met tien nieuwe lidstaten (van 15 naar 25)
, Discussie over of er een Grondwet voor de Europese Unie moet komen
o Grondrechtbepalingen worden bindend
o Nieuwe bepalingen over de verdeling van bevoegdheden tussen de
EU en lidstaten
o Directe doorwerking van EU-recht in nationaal recht
o Hiërarchisch hogere positie van het EU-recht
o Symboliek: vlag, volkslied e.d.
Er was weinig ondersteuning en draagvlak voor het Grondwettelijk
Verdrag, deze werd in 2004 dan ook niet ingevoerd.
2009 – Verdrag van Lissabon
Het verdrag van Lissabon is een aangepaste versie van het Grondwettelijk
Verdrag, deze aangepaste versie vindt wel steun. Het verdrag van Lissabon
bestaat uit het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag
betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).
De Europese Unie sinds Lissabon – Bronnen van het EU-recht
Primair EU-recht
o Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)
Doelstelling van de Europese Unie
Belangrijkste instrumenten
Overkoepelende structuur
o Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
Praktische uitwerking
Regulering van verschillende beleidsterreinen
Vrij verkeer, interne markt, mededingingsrecht etc.
Inrichting instellingen
Besluitvormingsprocedures
Rechtsbescherming
Secundair EU-recht: wetgeving van de EU
De Europese Unie sinds Lissabon – De praktische kant
De term Europese Unie in plaats van Europese Gemeenschap
Pijlerstructuur van het Verdrag van Maastricht is opgeheven, maar
Gemeenschap Buitenlands en Veiligheidsbeleid nog wel apart geregeld
Institutioneel kader en de instellingen van de Europese Unie
Europa is geen rechtsstaat, maar moet wel voldoen aan de rechtsstatelijke
uitgangspunten (bijv. democratie, trias politica, legaliteit en onafhankelijke
rechters).
Als je regelgeving laat maken en toepassen door hetzelfde orgaan ontstaat er
machtsmisbruik volgens Montesquieu. Montesquieu maakte daarom onderscheid
tussen wetgevende en uitvoerende instanties. Tegenwoordig zijn we van mening
dat de rechterlijke macht afgezonderd moet worden van de uitvoerende macht.
Machtenspreiding – Horizontaal
o Spreiding van macht over verschillende instanties
o Geen enkel orgaan kan zelfstandig macht uitoefenen, er is altijd een
ander orgaan medeverantwoordelijk
o Controle en toezicht tussen de verschillende instanties
, Machtenspreiding/-scheiding – Verticaal
o Spreiding van bevoegdheden over verschillende lagen van het
bestuur
Bijvoorbeeld decentralisatie (rijk – provincies – gemeenten) of
federalisme (federatie – staten)
Binnen Europa is het altijd net iets ingewikkelder dan op nationaal niveau:
Overdracht van bevoegdheden aan Europa
Effectieve uitoefening van bevoegdheden in Europa (wetgeving, bestuur en
rechtspraak)
Europese wetgeving en besluiten zijn bindend voor lidstaten
EU-recht staat hoger in rang dan nationaal recht
Europese Unie is supranationaal
Niet alle soevereiniteit is overgedragen. Met betrekking tot bepaalde onderdelen
blijven staten gewoon hun eigen ding doen, hier is sprake van
intergouvernementaliteit.
Bovendien zijn lidstaten erg verschillend in omvang. Grote staten hebben de
potentie om veel macht uit te kunnen oefenen, terwijl kleine staten het risico
lopen dat ze weinig invloed kunnen uitoefenen op wat er gebeurt in Europa.
Binnen de Europese Unie is er behoefte aan institutioneel evenwicht, oftewel:
Spreiding van functionele taken (wetgeving, uitvoering en rechtspraak)
Wederzijdse controle en afhankelijkheid (checks and balances)
Verticale machtenspreiding (Europees – nationaal)
Evenwicht tussen supranationaal (Europees) en intergouvernementeel
(nationaal)
Evenwicht tussen grote en kleine lidstaten
De uitwerking van het institutionele evenwicht binnen Europa – art 13 VEU
De instellingen van de Unie zijn:
Europees Parlement (art 14 VEU + art 223-234 VWEU)
o 750 leden + voorzitter
o Leden worden rechtstreeks gekozen voor een periode van vijf jaar
o Burgers van de staten zijn evenredig vertegenwoordigt, met een
minimum van zes leden en een maximum van zesennegentig leden
per staat.
o Taken Europees Parlement
Wetgevingstaak samen met de Raad (geen initiatiefrecht,
slechts medebeslisser)
Begrotingstaak samen met de Raad
Controle op de Europese Commissie
Benoeming voorzitter van de Commissie
Goedkeuring samenstelling van de Commissie
Recht om informatie te ontvangen (vraagrecht) en te
onderzoeken (enquêterecht)
Recht om motie van afkeuring tegen de Commissie in
te dienen
Het Europees Parlement is een mis tussen een ‘echt’ Europees orgaan en
nationale belangenbehartiging. Het Europees parlement is voornamelijk
belast met wetgeving, daarnaast controleert het de machtsuitoefening
, door de Commissie. De balans tussen kleine en grote staten wordt
gewaarborgd door de toebedeling van de zetels naar inwoneraantal.
Europese Raad (art 15 VEU + 235-236 VWEU)
o Regeringsleiders + permanente voorzitter, voorzitter van de
Commissie, hoge vertegenwoordiger van de Gemeenschap
Buitenlandse zaken en Veiligheidsbeleid
o De voorzitter zorgt voor de voorbereiding en de continuïteit van de
werkzaamheden van de Europese Raad.
o Taken Europese Raad
Geen eigen taak binnen de functionele ‘trias’
Impulsen geven aan de ontwikkeling van de Europese Unie:
Algemene politieke beleidslijnen vaststellen
Prioriteiten vaststellen
De Europese Raad is typisch intergouvernementeel, alle staten tellen even
zwaar, onafhankelijk van hun omvang.
Raad (art 16 VEU + art 237-243 VWEU)
o Vertegenwoordigers van de lidstaten op ministerieel niveau
o De Raad komt in verschillende formaties bijeen (afhankelijk van het
onderwerp)
o Roulerend voorzitterschap
o Taken van de Raad
Wetgeving
Hoofdrol (met Europese Raad) bij herziening van VEU
en VWEU
Instemmingsrecht bij Europese wetgeving
Beleidsbepalende en coördinerende taken
o Werkwijze van de Raad
Voorbereiding van de werkzaamheden door een Comité van
permanente vertegenwoordigers van de regeringen der
lidstaten
Besluitvorming door verschillende type meerderheden,
afhankelijk van de toepasselijke bepalingen van het VWEU
Meestal ‘gekwalificeerde meerderheid’ (lid 4)
Soms ‘eenparigheid’ van stemmen (= unanimiteit)
Soms gewone meerderheid
De Raad heeft dus een functionele, maar gedeelde taak in wetgeving en
uitvoering. De Raad is typisch intergouvernementeel, zij is namelijk een
afvaardiging van de lidstaten (controle op de eigen minister is mogelijk
door het nationaal parlement). De Raad moet samenwerken met Europees
parlement en Europese Commissie.
Europese Commissie (art 17 VEU + art 244-250 VWEU)
o 28 commissarissen, voor iedere lidstaat één
o Samenstelling en benoeming
Europese Raad draagt kandidaat-voorzitter voor bij het
Europees Parlement
Het Europees Parlement moet instemmen met de
voorgestelde voorzitter
De Raad stelt samen met de voorzitter de andere
commissarissen voor
Het Europees Parlement moet instemmen met de
voorgestelde Commissie