Hoofdstuk 2. Kader voor toekomstgericht gebouwbeheer
Beheer =
Gebouw – Gebruik – Toekomst. Maakt deel uit van de gebruiksfase. Vanuit beheer wordt het signaal
gegeven over te gaan tot renovatie of herbestemming.
2.1 Levenscyclus gebouw
PvE – ontwerp – uitvoering – oplevering – beheer – heroverweging – sloop.
Gebouwbeheer =
Omvat alle maatregelen die nodig zijn om, tijdens de gebruiksperiode, de prestaties van een
bestaand gebouw te waarborgen en het gebouw te gebruiken voor het doel waarvoor het is
gerealiseerd. Deze definitie geldt voor de eerste gebruiksperiode.
Wanneer eenvoudig onderhoud niet meer volstaat:
1. de organisatie verhuist en een nieuwe, vergelijkbare, organisatie betrekt het pand;
2. het gebouw wordt grondig aangepakt door middel van renovatie of herbestemming.
In de levenscyclus van een gebouw zijn twee hoofdfasen te onderscheiden:
1. ontwikkeling:
omvat de voorbereiding tot het realiseren van het gebouw en is vooral het domein van de
bouwkundige.
2. het gebruik:
is continue van aard en het domein van de eigenaar en de gebruiker.
2.2 Kader voor gebouwen
Functioneel systeem =
Voor een gebruiker is het gebouw vooral een gebruiksmiddel ter ondersteuning van zijn primaire
proces, dat bestaat uit ruimten in een onderlinge relatie. Het functioneel systeem beschrijft ruimten
en relateert deze aan bepaalde groepen.
Gebouw als functioneel systeem =
- werkplek – individu;
- vertrek – groep;
- verdieping – afdeling;
- gebouw – organisatie;
- bebouwde omgeving – gemeenschap.
Technische subsystemen (deze vormt het functioneel systeem) =
- draagconstructie (fundering, wanden, kolommen, liggers, vloer, trappen en schachten);
- schil (gevel en dak);
- installatie (leidingen, apparaten; werktuigbouwkundig en elektrisch);
- scheidingswanden (verkaveling verdieping, ruimtescheiding);
- inrichting (afwerking, meubilair, bewegwijzering etc.).
De ontleding van een gebouw in een functioneel en technisch systeem is niet meer dan een
beschrijving van functie naar materie.
, 2.3 Gebouw als waarde object
Waardenkaders =
1. basale waarde (relatie individu/gebouw);
2. gebruikswaarde (relatie organisatie/gebouw);
3. ecologische waarde (relatie milieu/gebouw);
4. maatschappelijke waarde (relatie gemeenschap/gebouw);
5. strategische waarde (relatie eigenaar/gebouw);
6. economische waarde (relatie tijd/gebouw).
Participanten: Invloed op waarde gebouw: Belangen, drijfveren en
mogelijkheden
Eigenaar/opdrachtgever PvE Doelstelling (gebruik, belegging
(belegger of gebruiker) Taakstellend budget etc.)
Middelen
Gemeenschap Bestemmingsplan Politiek/ruimtelijke oredening
(overheden) Bouwverordening Politiek/bestuurlijk
Bouwbesluit Politiek/waarborgen veiligheid,
Normen gezondheid en milieu
Welstand Cultureel
Architect en adviseurs Ontwerp Filosofie, visie, kennis en inzicht
Bestek Prioriteitsstelling, persoonlijke
Toezicht voorkeur
Aannemers/onderaannemers Uitvoering Marktsituatie, winst, continuïteit
bedrijf
Toeleveranciers Materiaalkeuze Vraag en aanbod
Samenstelling materialen en Kennis en inzicht
producten
Gebruiker Gedrag Doelstellingen (behoefte)
Middelen (inspraak, zeggenschap)
Beheerder Planning beheer Doelstelling; middelen
Uitvoering en onderhoud Organisatie; karakteristieken
bouwwerken
2.4 Werken met prestaties
Prestaties =
Een praktisch middel om de waarde van een gebouw concreet te vertalen naar eigenschappen van
een gebouw. Biedt vertaling tussen gebouw en gebruik. Behoeften te vertalen naar oplossingen.
Het formuleren van prestaties bestaat uit vier stappen:
1. bepaal de functie(s) die het gebouw (in de toekomst) moet vervulllen;
2. vertaal de functies naar prestaties;
3. specificeer prestatie (gewenste waarde en bepalingsmethode);
4. ontwikkel bouwkundige oplossingen, materialiseer.