Samenvatting 2.2 Statistiek - Passer
Hoofdstuk 4 Defining and measuring variables
Typen variabelen
Variabele: een factor of attribuut dat twee of meer waarden aan kan nemen
- Kwalitatieve variabele: verschillen in type. Geslacht, oogkleur etc
- Kwantitatieve variabele: vershcillen in hoeveelheid. Lengte, gewicht etc
- Discreet: alleen hele getallen zijn mogelijk. Aantal mensen 1/2/3
- Continu: iedere waarde is mogelijk
- Onafhankelijk: aangenomen causale factor in een oorzaak-gevolg relatie
tussen twee variabelen in een experiment
- Afhankelijk: aangenomen effect in een oorzaak-gevolg relatie tussen
twee variabelen. De uitkomst
- Situational: kenmerk dat verschilt over omgeving of stimuli
- Subject: persoonlijk kenmerk dat verschilt per individu
- Mediator: een variabele die een causale link geeft tussen een
onafhankelijke en afhankelijke variabele
onafhankelijke
mediator afhankelijke
variabele: het
variabele: variabele: de
gebruiken van een
afleiding of prestatie op het
telefoon (tijdens
aandacht autorijden
het rijden)
- Moderator variabele: een factor die de kracht of richting van de relatie
beinvloed
Construct
Construct: onderliggend hypothetisch kenmerk of proces dat niet direct
geobserveerd wordt maar wel verantwoordelijk is voor het meetbare gedrag of de
uitkomst
Defining variables
Operational definitions: een varaiabele definieren aan de hand van de
procedures die gemeten of gemanipuleerd moeten worden
Scales of measurement
Measurement: het proces van systematisch waarden hangen aan zaken die
attributen, organismen, objecten of events representeren. Systematisch houdt
hierbij in dat deze waarden toegeschreven worden aan de hand van een regel
- Nominaal: waarden die alleen een kwalitatief verschil hebben. Categorien
die niet meer of minder waard zijn dan een andere categorie
- Ordinaal: gaat ook over categorien, maar deze zijn niet gelijkwaardig
- Interval: gaat over losse scores waarbij er geen absoluut 0-punt is en het
niet zo is dat 10 2x zoveel is als 5
- Ratio: gelijke afstanden op de schaal zijn in het echt ook gelijke afstanden.
Er is sprake van een absoluut 0-punt
Measurement accuracy, reliability and validity
Accuraat: de mate waarin een meting een resultaat representeert dat overeen
komt met een bepaalde standaard..
Systmatic error: een constante error die bij iedere meting optreedt
1
Hoofdstuk 4 Defining and measuring variables
Typen variabelen
Variabele: een factor of attribuut dat twee of meer waarden aan kan nemen
- Kwalitatieve variabele: verschillen in type. Geslacht, oogkleur etc
- Kwantitatieve variabele: vershcillen in hoeveelheid. Lengte, gewicht etc
- Discreet: alleen hele getallen zijn mogelijk. Aantal mensen 1/2/3
- Continu: iedere waarde is mogelijk
- Onafhankelijk: aangenomen causale factor in een oorzaak-gevolg relatie
tussen twee variabelen in een experiment
- Afhankelijk: aangenomen effect in een oorzaak-gevolg relatie tussen
twee variabelen. De uitkomst
- Situational: kenmerk dat verschilt over omgeving of stimuli
- Subject: persoonlijk kenmerk dat verschilt per individu
- Mediator: een variabele die een causale link geeft tussen een
onafhankelijke en afhankelijke variabele
onafhankelijke
mediator afhankelijke
variabele: het
variabele: variabele: de
gebruiken van een
afleiding of prestatie op het
telefoon (tijdens
aandacht autorijden
het rijden)
- Moderator variabele: een factor die de kracht of richting van de relatie
beinvloed
Construct
Construct: onderliggend hypothetisch kenmerk of proces dat niet direct
geobserveerd wordt maar wel verantwoordelijk is voor het meetbare gedrag of de
uitkomst
Defining variables
Operational definitions: een varaiabele definieren aan de hand van de
procedures die gemeten of gemanipuleerd moeten worden
Scales of measurement
Measurement: het proces van systematisch waarden hangen aan zaken die
attributen, organismen, objecten of events representeren. Systematisch houdt
hierbij in dat deze waarden toegeschreven worden aan de hand van een regel
- Nominaal: waarden die alleen een kwalitatief verschil hebben. Categorien
die niet meer of minder waard zijn dan een andere categorie
- Ordinaal: gaat ook over categorien, maar deze zijn niet gelijkwaardig
- Interval: gaat over losse scores waarbij er geen absoluut 0-punt is en het
niet zo is dat 10 2x zoveel is als 5
- Ratio: gelijke afstanden op de schaal zijn in het echt ook gelijke afstanden.
Er is sprake van een absoluut 0-punt
Measurement accuracy, reliability and validity
Accuraat: de mate waarin een meting een resultaat representeert dat overeen
komt met een bepaalde standaard..
Systmatic error: een constante error die bij iedere meting optreedt
1