Hoofdstuk 1
De overheidsmacht is in Nederland verdeeld over drie staatsinstellingen: wetgever – het
bestuur – de rechter
Rechtspraak is een overheidsfunctie naast wetgeving en bestuur
Rechtspraak heeft betrekking op de bevoegdheid geschillen te beslissen (art. 112 GW) en
strafbare feiten te berechten (art. 113 GW)
De wet algemene bepalingen (wet AB) bevat enkele nadere voorschriften inzake de aard en
inhoud van de rechterlijke functie. De rechter moet volgens de wet rechtspreken; hij mag de
innerlijke waarde of billijkheid der wet niet beoordelen (art. 11 AB). De recht mag niet bij
wege van algemene verordening, dispositie of reglement uitspraak doen in zaken die aan
zijn beslissing zijn onderworp (art. 12 AB)
Rechtspraak ziet op concrete beslissingen die in beginsel betrekking hebben op een aan een
overheidsinstantie voorgelegd geschil of strafbaar feit. Daarmee onderscheidt de rechterlijke
functie zich wezenlijk van wetgeving, nu daarmee het stellen van algemene regels wordt
beoogd.
Verschil tussen rechtspraak en het bestuur (uitvoering)is echter niet zo groot
Ook de bestuursfunctie kan betrekking hebben op een concrete beslissing. Voor beide geldt
dat het ambt gehouden is de wet toe te passen. Bovendien kan de uitoefening van de
bestuurlijke functie onder omstandigheden een beslissing op een geschil inhouden.
Er zijn wel belangrijke verschillen: - de rechtspraak houdt uitsluitend een rechtmatigheids
oordeel in terwijl in de uitoefening van de bestuursfunctie zowel een rechtmatigheids- al een
doelmatigheidsbeslissing besloten ligt of kan liggen – Bij de bestuursfunctie staat het
realiseren van politieke of beleidsdoelstellingen voorop. Bij rechtspraak is slechts de wet- en
rechtmatigheid maatstaf van beslissing. – rechterlijke uitspraken hebben verbindende kracht,
rechterlijke beslissing is bindend, de recht heeft bij de beslissing van een geschil het laatste
woord, bestuursbesluiten missen in beginsel deze rechtskracht.
Het met rechtspraak belaste ambt beslist eerst welke feiten aan het geschil ten grondslag
liggen, daarna past hij het recht toe op deze feiten.
De met bijzondere waarborgen omgeven rechtsgang en het rechtmatigheids oordeel zijn dus
kenmerkend voor de functie rechtspraak.
De GW draagt e bevoegdheid tot rechtspraak in eerste instantie op aan de rechterlijke macht
en de gerechten die niet behoren tot de rechterlijke macht (art. 112 en 113 GW) – maar sluit
niet uit dat andere dan rechterlijke ambten deze functie vervullen (bijv.art. 115 GW)
Machtenscheiding (trias politica) : wetgevende – uitvoerende en - rechterlijke macht
De overheidsrganen controleren elkaar door een stelsel van ‘checks-and-balances’. Bij het
creëren van checks-and-balances moet rekening worden gehoude met de bijzondere plaats
van de rechter in het staatsbestel.
Checks-and-balances: art. 116 lid 1 GW de wetgever wijst de gerechten aan die behoren tot
de rechterlijke macht – art. 112 GW – art. 107 GW – art. 122 lid 1 GW
Rechtsstaatprincipe druk uit dat de staat (de overheid) in al zijn handelen jegens burgers
gebonden is aan wet en recht.
Basiselementen van rechtsstaatprincipe: legaliteitsbeginsel (rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid, maar ook democratieprincipe) – machtenscheiding – onafhankelijke