Verpleegkunde leerjaar 2 uitwerkingen toetsmatrijs: Preventie en
Zelfmanagement.
Kennistoets
AFPF............................................................................................................................... blz. 2
CGO................................................................................................................................ blz. 20
VTV................................................................................................................................. blz. 47
GGZ................................................................................................................................ blz. 55
COVA.............................................................................................................................. blz. 59
Onderzoekend vermogen.............................................................................................. blz. 62
Psychologie.................................................................................................................... blz. 66
Sociologie....................................................................................................................... blz. 68
Ethiek............................................................................................................................. blz. 69
Gezondheidsbevordering............................................................................................... blz. 72
Mondzorg....................................................................................................................... blz. 75
Mantelzorg..................................................................................................................... blz. 80
1
,AFPF:
Overgewicht en obesitas:
Om te bepalen of iemand te zwaar is, maken we gebruik van de BMI (body mass index).
Overgewicht --> mensen met een BMI tussen de 25,5 en 29,9 kg/m2.
Obesitas --> mensen met een BMI van 30 kg/m2 of hoger.
Obesitas moet worden beschouwd als een chronische ziekte. De aandachtspunten zijn:
aanpassing van de voeding, verhoging van de lichamelijke activiteit en aanpak van
psychologische factoren die bijdragen aan de instandhouding van een ongezonde leefstijl.
De combinatie van BMI en de buikomvang is een goede maat voor de kans op ziekten, zoals
DM type 2 en hart- en vaatziekten.
Obesitas komt vaker voor bij mensen van Turkse, Antilliaanse, Marokkaanse en Surinaamse
afkomst. Ook zie je dat obesitas vaker voorkomt bij mensen met een lagere
sociaaleconomische status.
Anatomie en fysiologie:
Overgewicht en obesitas ontstaan door een langdurige positieve energiebalans. Het
teveel aan energie wordt opgeslagen in de vorm van vet.
De cellen in ons lichaam hebben energie nodig om te functioneren. Deze energie
wordt gehaald uit de voedingsstoffen: koolhydraten, vetten en eventueel eiwitten.
Het opbouwen (anabolisme) en afbreken (katabolisme) van stoffen noemen we
stofwisseling (metabolisme).
Vooral glucose en vetzuren zijn geschikt als brandstof voor cellen. Deze stoffen
worden gevormd uit afbraak van koolhydraten en vetten vanuit de dunne darm
opgenomen in het bloed, zodat ze als brandstof naar de cellen kunnen worden
vervoerd.
De hersenen kunnen alleen gebruik maken van glucose als brandstof. Een gebrek aan
glucose kan leiden tot verminderde hersenfunctie. Er kunnen dan aminozuren
worden omgezet in glucose. Dit gebeurt als er te weinig koolhydraten in de voeding
aanwezig is of als er te weinig energie is opgenomen in de voeding.
De afbraak van aminozuren gaat gepaard met de productie van het giftige
ammoniak. Dit wordt in de lever omgezet in ureum, waardoor het via de nieren met
de urine uit het lichaam gaat.
Teveel aan glucose in het bloed? dan wordt dit onder invloed van insuline opgeslagen
in de vorm van glycogeen. Als de bloedglucose tussen de maaltijden of bij extra
inspanning te laag wordt dan kan glucose vrij worden gemaakt uit glycogeen, onder
invloed van glucagon en adrenaline.
Corticosteroïden stimuleren de opslag van vet
Vetweefsel fungeert niet alleen als opslagplaats, maar blijkt ook een
hormoonproducerend orgaan te zijn. Belangrijk is de productie van leptine, dat
eetlustremmend is en de stofwisseling verhoogd.
Gemiddeld heeft een man 2500 kcal en een vrouw 2000 kcal nodig.
2
, Basaalmetabolisme = onbewuste processen zoals ademhaling enz.
!!“Hoe groter het lichaamsoppervlak des te hoger het basaalmetabolisme”!!
Basaalmetabolisme en voeding geïnduceerde thermogenese vormen samen de
ruststofwisseling.
Schildklierhormoon stimuleert het metabolisme.
Het hongergevoel en het gevoel van verzadiging komt van de hypothalamus. Een
verlaging van de bloedsuikerspiegel leidt tot een hongergevoel.
Boodschapperstoffen:
1. Serotonine stimuleert het verzadigingscentrum. Te weinig serotonine wordt in
verband gebracht met depressie, die een rol kan spelen bij overgewicht.
2. Endorfine stimuleren de eetlust.
3. Nicotine stimuleert de afgifte van adrenaline.
4. Leptine bindt zich in de hypothalamus aan receptoren en zorgt ervoor dat de eetlust
wordt geremd en de stofwisseling toeneemt.
5. Cholecystokinine zorgt voor de samentrekking van de galblaas waardoor de extra gal
de vertering ondersteunt. Ook remt het de maagontlediging en veroorzaakt een
sterker verzadigingsgevoel.
6. Oestrogenen stimuleren het hongergevoel en de eetlust.
Diagnose --> lichamelijk onderzoek:
BMI
Meten van buikomvang:
normaal: kleiner of gelijk aan 94 cm (man) en kleiner of gelijk aan 80 cm
(vrouw).
vergroot: 94-102 cm (man) en 80-88 cm (vrouw).
ernstig vergroot: groter of gelijk aan 102 cm (man) en groter of gelijk aan 88
cm (vrouw).
Bij kinderen kan je nog kijken naar de lichaamsverhouding.
Behandeling: - behandelen van de onderliggende oorzaak
- verlagen van de energie-inname
- kijken naar de omgevingsfactoren en individuele gedragsfactoren
- dagboek bijhouden met voeding en drinken en sporten
- dieet met ongeveer 600 kcal minder op een dag eten
- operatie
Als belangrijke complicatie bij obesitas wordt ook wel gesproken van het metabool
syndroom: - een hoge concentratie triglyceriden
- lage concentratie HDL--cholesterol
- hoge bloeddruk
- insulineresistentie
- hoge bloedsuikerspiegel
- verhoogde bloedstolling
3
, Diabetes mellitus:
Diabetes mellitus (suikerziekte) --> meest voorkomende endocriene aandoening: ziekte
waarbij verhoogde glucose (suiker) waarden in het bloed te vinden zijn. Deze verhoogde
glucosewaarden worden veroorzaakt door te weinig van het hormoon insuline, en/of door
verminderde gevoeligheid voor insuline.
Insuline wordt gemaakt door cellen in de alvleesklier, insuline zorgt ervoor dat glucose in de
weefsels wordt opgenomen. Als er geen of te weinig insuline in het bloed aanwezig is, stijgt
het bloedglucosegehalte. Dit kan schade geven aan het lichaam, de kleine en grote
bloedvaten.
Diabetes type 1: je alvleesklier maakt geen insuline meer aan. Je moet zelf insuline
toedienen met een pen of pomp. Diabetes type 1 kun je niet voorkomen en niet genezen.
- aangeboren, auto-immuunziekte en familiair.
- behandeling: insuline, zelfcontrole, zelfmanagement, zelfregulatie en
complicatiescreening.
Diabetes type 2: je alvleesklier maakt te weinig insuline aan of je reageer minder goed op de
insuline. Deze vorm van diabetes komt het meeste voor en komt voor bij alle leeftijden.
- 80% heeft overgewicht en familiair.
- behandeling: educatie, voedingsadvies, medicamenteus, orale combinatietherapie,
soms insuline, controle en complicatiescreening.
Symptomen diabetes 1 of 2: veel dorst, veel plassen, droge mond, moe voelen,
oogontsteking of wazig zien, gewicht verliezen (en urineweginfectie).
Als je diabetes hebt mag je wel sporten en drinken alleen moet je het compenseren met de
insuline, je moet op evenwicht blijven anders wordt het gevaarlijk.
Als je insuline gebruikt, kun je het beste een paar keer per dag je bloedglucosewaarden
meten. Je waarde is de basis voor hoeveel insuline je nodig hebt. Ook als je geen insuline
gebruikt is het verstandig regelmatig te meten.
Je meet je bloedglucosewaarden, deze verschijnen op het scherm van je bloedglucosemeter
in mmol/L. De mmol/L geeft aan hoeveel glucose er in je bloed zit. Het is het beste om een
bloedglucosewaarde tussen de 4 en de 6 mmol/L te hebben voor het eten, en onder de 10
mmol/L na het eten. Bij deze waarden zijn de risico’s van diabetes het kleinst.
Het HbA1c is een maat voor het gemiddelde van de bloedglucosewaarden over de afgelopen
2 tot 3 maanden. Deze waarde wordt bepaald in het laboratorium. Je laat daarvoor een
buisje bloed afnemen. De algemene streefwaarde voor het HbA11c is minder dan 53 mmol/L
(7%), maar je behandelaar kan met jou een andere streefwaarde afspreken. Hb uit HbA1c
staat voor hemoglobine, een eiwit dat in je rode bloedcellen zit. Glucose bindt zich graag
aan dit eiwit. Als glucose gehecht is aan de hemoglobine, heet dit HbA1c.
4
Zelfmanagement.
Kennistoets
AFPF............................................................................................................................... blz. 2
CGO................................................................................................................................ blz. 20
VTV................................................................................................................................. blz. 47
GGZ................................................................................................................................ blz. 55
COVA.............................................................................................................................. blz. 59
Onderzoekend vermogen.............................................................................................. blz. 62
Psychologie.................................................................................................................... blz. 66
Sociologie....................................................................................................................... blz. 68
Ethiek............................................................................................................................. blz. 69
Gezondheidsbevordering............................................................................................... blz. 72
Mondzorg....................................................................................................................... blz. 75
Mantelzorg..................................................................................................................... blz. 80
1
,AFPF:
Overgewicht en obesitas:
Om te bepalen of iemand te zwaar is, maken we gebruik van de BMI (body mass index).
Overgewicht --> mensen met een BMI tussen de 25,5 en 29,9 kg/m2.
Obesitas --> mensen met een BMI van 30 kg/m2 of hoger.
Obesitas moet worden beschouwd als een chronische ziekte. De aandachtspunten zijn:
aanpassing van de voeding, verhoging van de lichamelijke activiteit en aanpak van
psychologische factoren die bijdragen aan de instandhouding van een ongezonde leefstijl.
De combinatie van BMI en de buikomvang is een goede maat voor de kans op ziekten, zoals
DM type 2 en hart- en vaatziekten.
Obesitas komt vaker voor bij mensen van Turkse, Antilliaanse, Marokkaanse en Surinaamse
afkomst. Ook zie je dat obesitas vaker voorkomt bij mensen met een lagere
sociaaleconomische status.
Anatomie en fysiologie:
Overgewicht en obesitas ontstaan door een langdurige positieve energiebalans. Het
teveel aan energie wordt opgeslagen in de vorm van vet.
De cellen in ons lichaam hebben energie nodig om te functioneren. Deze energie
wordt gehaald uit de voedingsstoffen: koolhydraten, vetten en eventueel eiwitten.
Het opbouwen (anabolisme) en afbreken (katabolisme) van stoffen noemen we
stofwisseling (metabolisme).
Vooral glucose en vetzuren zijn geschikt als brandstof voor cellen. Deze stoffen
worden gevormd uit afbraak van koolhydraten en vetten vanuit de dunne darm
opgenomen in het bloed, zodat ze als brandstof naar de cellen kunnen worden
vervoerd.
De hersenen kunnen alleen gebruik maken van glucose als brandstof. Een gebrek aan
glucose kan leiden tot verminderde hersenfunctie. Er kunnen dan aminozuren
worden omgezet in glucose. Dit gebeurt als er te weinig koolhydraten in de voeding
aanwezig is of als er te weinig energie is opgenomen in de voeding.
De afbraak van aminozuren gaat gepaard met de productie van het giftige
ammoniak. Dit wordt in de lever omgezet in ureum, waardoor het via de nieren met
de urine uit het lichaam gaat.
Teveel aan glucose in het bloed? dan wordt dit onder invloed van insuline opgeslagen
in de vorm van glycogeen. Als de bloedglucose tussen de maaltijden of bij extra
inspanning te laag wordt dan kan glucose vrij worden gemaakt uit glycogeen, onder
invloed van glucagon en adrenaline.
Corticosteroïden stimuleren de opslag van vet
Vetweefsel fungeert niet alleen als opslagplaats, maar blijkt ook een
hormoonproducerend orgaan te zijn. Belangrijk is de productie van leptine, dat
eetlustremmend is en de stofwisseling verhoogd.
Gemiddeld heeft een man 2500 kcal en een vrouw 2000 kcal nodig.
2
, Basaalmetabolisme = onbewuste processen zoals ademhaling enz.
!!“Hoe groter het lichaamsoppervlak des te hoger het basaalmetabolisme”!!
Basaalmetabolisme en voeding geïnduceerde thermogenese vormen samen de
ruststofwisseling.
Schildklierhormoon stimuleert het metabolisme.
Het hongergevoel en het gevoel van verzadiging komt van de hypothalamus. Een
verlaging van de bloedsuikerspiegel leidt tot een hongergevoel.
Boodschapperstoffen:
1. Serotonine stimuleert het verzadigingscentrum. Te weinig serotonine wordt in
verband gebracht met depressie, die een rol kan spelen bij overgewicht.
2. Endorfine stimuleren de eetlust.
3. Nicotine stimuleert de afgifte van adrenaline.
4. Leptine bindt zich in de hypothalamus aan receptoren en zorgt ervoor dat de eetlust
wordt geremd en de stofwisseling toeneemt.
5. Cholecystokinine zorgt voor de samentrekking van de galblaas waardoor de extra gal
de vertering ondersteunt. Ook remt het de maagontlediging en veroorzaakt een
sterker verzadigingsgevoel.
6. Oestrogenen stimuleren het hongergevoel en de eetlust.
Diagnose --> lichamelijk onderzoek:
BMI
Meten van buikomvang:
normaal: kleiner of gelijk aan 94 cm (man) en kleiner of gelijk aan 80 cm
(vrouw).
vergroot: 94-102 cm (man) en 80-88 cm (vrouw).
ernstig vergroot: groter of gelijk aan 102 cm (man) en groter of gelijk aan 88
cm (vrouw).
Bij kinderen kan je nog kijken naar de lichaamsverhouding.
Behandeling: - behandelen van de onderliggende oorzaak
- verlagen van de energie-inname
- kijken naar de omgevingsfactoren en individuele gedragsfactoren
- dagboek bijhouden met voeding en drinken en sporten
- dieet met ongeveer 600 kcal minder op een dag eten
- operatie
Als belangrijke complicatie bij obesitas wordt ook wel gesproken van het metabool
syndroom: - een hoge concentratie triglyceriden
- lage concentratie HDL--cholesterol
- hoge bloeddruk
- insulineresistentie
- hoge bloedsuikerspiegel
- verhoogde bloedstolling
3
, Diabetes mellitus:
Diabetes mellitus (suikerziekte) --> meest voorkomende endocriene aandoening: ziekte
waarbij verhoogde glucose (suiker) waarden in het bloed te vinden zijn. Deze verhoogde
glucosewaarden worden veroorzaakt door te weinig van het hormoon insuline, en/of door
verminderde gevoeligheid voor insuline.
Insuline wordt gemaakt door cellen in de alvleesklier, insuline zorgt ervoor dat glucose in de
weefsels wordt opgenomen. Als er geen of te weinig insuline in het bloed aanwezig is, stijgt
het bloedglucosegehalte. Dit kan schade geven aan het lichaam, de kleine en grote
bloedvaten.
Diabetes type 1: je alvleesklier maakt geen insuline meer aan. Je moet zelf insuline
toedienen met een pen of pomp. Diabetes type 1 kun je niet voorkomen en niet genezen.
- aangeboren, auto-immuunziekte en familiair.
- behandeling: insuline, zelfcontrole, zelfmanagement, zelfregulatie en
complicatiescreening.
Diabetes type 2: je alvleesklier maakt te weinig insuline aan of je reageer minder goed op de
insuline. Deze vorm van diabetes komt het meeste voor en komt voor bij alle leeftijden.
- 80% heeft overgewicht en familiair.
- behandeling: educatie, voedingsadvies, medicamenteus, orale combinatietherapie,
soms insuline, controle en complicatiescreening.
Symptomen diabetes 1 of 2: veel dorst, veel plassen, droge mond, moe voelen,
oogontsteking of wazig zien, gewicht verliezen (en urineweginfectie).
Als je diabetes hebt mag je wel sporten en drinken alleen moet je het compenseren met de
insuline, je moet op evenwicht blijven anders wordt het gevaarlijk.
Als je insuline gebruikt, kun je het beste een paar keer per dag je bloedglucosewaarden
meten. Je waarde is de basis voor hoeveel insuline je nodig hebt. Ook als je geen insuline
gebruikt is het verstandig regelmatig te meten.
Je meet je bloedglucosewaarden, deze verschijnen op het scherm van je bloedglucosemeter
in mmol/L. De mmol/L geeft aan hoeveel glucose er in je bloed zit. Het is het beste om een
bloedglucosewaarde tussen de 4 en de 6 mmol/L te hebben voor het eten, en onder de 10
mmol/L na het eten. Bij deze waarden zijn de risico’s van diabetes het kleinst.
Het HbA1c is een maat voor het gemiddelde van de bloedglucosewaarden over de afgelopen
2 tot 3 maanden. Deze waarde wordt bepaald in het laboratorium. Je laat daarvoor een
buisje bloed afnemen. De algemene streefwaarde voor het HbA11c is minder dan 53 mmol/L
(7%), maar je behandelaar kan met jou een andere streefwaarde afspreken. Hb uit HbA1c
staat voor hemoglobine, een eiwit dat in je rode bloedcellen zit. Glucose bindt zich graag
aan dit eiwit. Als glucose gehecht is aan de hemoglobine, heet dit HbA1c.
4