Excelleren Hoofdstuk 4: Excelfunctionaliteiten
Paragraaf 1: Functies als basis voor een Excelmodel
Functies zijn de bouwstenen van ieder model.
Een functie is een kant-en-klare berekening, voorzien van extra toegevoegde functionaliteit. Functies herken je
aan de haakjes openen en sluiten. Tussen de haakjes staan functieargumenten. Functieargumenten verschillen
per functie en zijn bestemd voor de invoer van gegevens en/of de instelling van de functionaliteit van de functie.
- Functie vandaag: formules --> datum/tijd --> VANDAAG
- functie maand: formules --> datum/tijd --> MAAND
- Als-functie: Logische test waar/onwaar), waar -> Waarde-als-waar, onwaar -> waarde-als-onwaar. Formules
--> logisch --> als.
Logische test: A1 = 1, waarde-als-waar: een, waarde-als-onwaar: twee.
- Functie VERT.ZOEKEN: relaties tussen gegevens leggen.
Het kolomindex_getal bepaalt uit welke kolom van een door de ontwerper bepaald bereik de gegevens worden
getoond. Dit bereik neem je op in het argument tabelmatrix. Hierbij wordt de meest linkerkolom van het bereik
gezien als (kolom) 1. De kolom daar direct rechts aan grenzend krijgt de waarde 2, enz. Het kolomindex_getal
bepaalt de verschuiving naar rechts binnen het bereik.
Paragraaf 2: Geneste functies
Een geneste functie is een functie waarin een andere functie in een argument is opgenomen. Meerdere functies
in een argument of meerdere functies in meerdere argumenten geven ook een geneste functie.
Bevat de actieve cel een functie, dan zal de fx-knop naast de formulebalk het ingevulde venster
Functieargumenten van die functie tonen. Gebruik je een geneste functie, klik dan in de formulebalk in de functie
waarvan je de argumenten wilt zien. De fx-toets opent dan het functieargumentenvenster van die functie.
Onderhoud van de functies wordt hierdoor een stuk eenvoudiger. Is de cel leeg of bevat deze invoer, dan wordt
het venster Functie invoegen geopend.
Paragraaf 3: Namen als gereedschap om beheersbaarheid te krijgen
Een naam in Excel is allereerst een verwijzingsinstrument voor cellen, bereiken of constanten. Daarnaast is het
een hulpmiddel om Excelmodellen inzichtelijk te maken. Je kunt een naam ook gebruiken voor een berekening
die is gericht op cellen of bereiken.
Namen beheer je door middel van het tabblad Formules, sectie Gedefinieerde namen, namen beheren.
Standaard zijn verwijzingen naar cellen in namen absoluut gesteld. Een vuistregel: broncellen, waarvoor je een
absolute referentie gebruikt, geef je een naam.
Voorwaarden van het naamprincipe:
Geen spaties in namen
Eerste karakter is een letter of _
Overig mogen letters, cijfer, punten of _ zijn.
Min. 1 en max. 255 karakters
Letters C en R mogen niet als naam worden gebruikt.
Paragraaf 1: Functies als basis voor een Excelmodel
Functies zijn de bouwstenen van ieder model.
Een functie is een kant-en-klare berekening, voorzien van extra toegevoegde functionaliteit. Functies herken je
aan de haakjes openen en sluiten. Tussen de haakjes staan functieargumenten. Functieargumenten verschillen
per functie en zijn bestemd voor de invoer van gegevens en/of de instelling van de functionaliteit van de functie.
- Functie vandaag: formules --> datum/tijd --> VANDAAG
- functie maand: formules --> datum/tijd --> MAAND
- Als-functie: Logische test waar/onwaar), waar -> Waarde-als-waar, onwaar -> waarde-als-onwaar. Formules
--> logisch --> als.
Logische test: A1 = 1, waarde-als-waar: een, waarde-als-onwaar: twee.
- Functie VERT.ZOEKEN: relaties tussen gegevens leggen.
Het kolomindex_getal bepaalt uit welke kolom van een door de ontwerper bepaald bereik de gegevens worden
getoond. Dit bereik neem je op in het argument tabelmatrix. Hierbij wordt de meest linkerkolom van het bereik
gezien als (kolom) 1. De kolom daar direct rechts aan grenzend krijgt de waarde 2, enz. Het kolomindex_getal
bepaalt de verschuiving naar rechts binnen het bereik.
Paragraaf 2: Geneste functies
Een geneste functie is een functie waarin een andere functie in een argument is opgenomen. Meerdere functies
in een argument of meerdere functies in meerdere argumenten geven ook een geneste functie.
Bevat de actieve cel een functie, dan zal de fx-knop naast de formulebalk het ingevulde venster
Functieargumenten van die functie tonen. Gebruik je een geneste functie, klik dan in de formulebalk in de functie
waarvan je de argumenten wilt zien. De fx-toets opent dan het functieargumentenvenster van die functie.
Onderhoud van de functies wordt hierdoor een stuk eenvoudiger. Is de cel leeg of bevat deze invoer, dan wordt
het venster Functie invoegen geopend.
Paragraaf 3: Namen als gereedschap om beheersbaarheid te krijgen
Een naam in Excel is allereerst een verwijzingsinstrument voor cellen, bereiken of constanten. Daarnaast is het
een hulpmiddel om Excelmodellen inzichtelijk te maken. Je kunt een naam ook gebruiken voor een berekening
die is gericht op cellen of bereiken.
Namen beheer je door middel van het tabblad Formules, sectie Gedefinieerde namen, namen beheren.
Standaard zijn verwijzingen naar cellen in namen absoluut gesteld. Een vuistregel: broncellen, waarvoor je een
absolute referentie gebruikt, geef je een naam.
Voorwaarden van het naamprincipe:
Geen spaties in namen
Eerste karakter is een letter of _
Overig mogen letters, cijfer, punten of _ zijn.
Min. 1 en max. 255 karakters
Letters C en R mogen niet als naam worden gebruikt.