Hoofdstuk 1: Inleiding
NT2-verwervende leerlingen = Leerlingen die van huis uit een andere taal spreken dan
Nederlands of die tweetalig opgroeien, met Nederlands en een andere taal als moedertaal.
Tweedetaalverwerving = Kinderen die van huis uit een andere taal spreken dan
Nederlands, pikken de Nederlandse taal op in allerlei situaties.
Wanneer het kind ouder is, wordt het accent van hun eerste taal meer hoorbaar.
Tweede taalleren = Situaties op school waarin een kind Nederlands leert.
Onderinstromers = Kinderen die al vanaf de kleuterklas op een Nederlandse school zitten.
Neven- of zijinstromers = Kinderen die sinds kort in Nederland zijn.
NT2-leerlingen zijn vaak goed in technisch lezen -> ze zijn goed in het leren verklanken van
woorden en hebben een goede leesvaardigheid -> begrijpend lezen is lastiger.
3 D’s bij onderwijs aan NT2-leerlingen:
1. Doelen = Wat zijn de leerdoelen die de leerlingen moeten behalen?
2. Didactiek = Hoe kan de leerkracht dit dan het beste bereiken?
3. Differentiatie = De leerkracht moet goed differentiëren, omdat leerlingen onderling
verschillen in hun Nederlandse taalvaardigheid.
Hoofdstuk 2: Ontwikkeling van mondelinge vaardigheden
Veel kinderen worden tweetalig opgevoed -> beide talen worden afwisselend en door elkaar
gesproken.
Voor een tweetalige opvoeding is het beter om vanaf jongs af aan tweetalig te
worden opgevoed en niet eerst één taal en later pas de tweede.
Taaldominatie = Vaak spreekt het kind één van de twee talen beter dan de ander. Dit kan
veranderen in de loop van de jaren.
Receptieve taalvaardigheid = Passieve taalvaardigheid -> wat het kind begrijpt, verstaat en
weet.
Productieve taalvaardigheid = Actieve taalvaardigheid -> wat het kind zelf uitspreekt.
Stille periode = De periode waarin het kind niks zegt, maar wel luistert en daarbij actief
bezig is met de taal leren.
Hoe verwerven kinderen een tweede taal:
Bekrachtiging = tot in de jaren ’70 werd taalleren gezien als een proces van imitatie
en reїnforcement.
Transfer = T1-gewoontes veranderen naar nieuwe T2-gewoontes.
De invloed van de eerste taal op de tweede taal is zeer groot.
Interferentie = Het maken van fouten onder invloed van de eerste taal -> negatieve
transfer.
Interferentiehypothese = Verschillen tussen eerste- en tweede taal worden als
leerproblemen beschouwd.
Overgeneralisatie = In alle gevallen dezelfde regel toepassen.
Creative constructie = De taalverwerver is een creatieve bouwer aan de nieuwe taal.
Universalistische taalverwervingshypothese = Taalontwikkelingsfouten worden
veroorzaakt door universele specifieke problemen die de Nederlandse taal kent.
, De aard en mate van het taalaanbod vanuit de omgeving is erg belangrijk.
Interactionele benadering = Het taalaanbod en interactie met moedertaalsprekers
speelt een grote rol.
Outputhypothese = Taalverwervers die gedwongen worden de tweede taal te
spreken, gaan bewuster om met morfologische- en syntactische regels -> feedback is
essentieel.
Frequentie = Woorden die regelmatig voorkomen, worden als eerst verworven ->
men onthoudt pas één woord wanneer het minimaal 7x aanbod is gekomen in
verschillende contexten.
3 theorieën van taalleren:
1. Behaviorisme = Taalleren is een proces van gewoontevorming, waarin imitatie en
bekrachtiging een rol spelen -> de invloed van de eerste taal op de tweede taal is
groot.
2. Nativisme = Men komt ter wereld met een aangeboren taalverwervingsmechanisme
-> de tussentaal is voorspelbaar en systematisch.
3. Interactionisme = Het belang van interactie tussen biologische- en sociale aspecten
-> de frequentie van taalaanbod, herhaling en interactie zijn belangrijk.
De opvattingen van de 3 theorieën verlopen als volgt:
1. Kinderen verwerven een tweede taal door actief te luisteren.
2. De kinderen bedenken wat woorden in de tweede taal betekenen en hoe de regels
van de tweede taal in elkaar zitten.
3. De structuur van de tweede taal is bepalend -> fouten komen voort uit de
moeilijkheidsgraad van de tweede taal.
4. De ontwikkelingsvolgordes in de tussentaal zijn voor eerste- en tweedetaalverwervers
hetzelfde.
5. Voor sommige aspecten gaan tweedetaalverwervers uit van hun eerste taal, met
name in hun uitspraak.
6. Het taalaanbod en de interactie met de omgeving spelen ook een rol bij het bijstellen
en opnieuw vormen van hypotheses.
7. De tweedetaalverwerving zal sneller verlopen wanneer de kinderen veel taalaanbod
krijgen, worden betrokken bij interacties en feedback krijgen.
Consequenties van de bovenstaande opvattingen:
NT2-leerlingen moeten veel taalaanbod krijgen die aangepast wordt aan hun niveau.
In de leerstof kunnen vormen en verschijnselen systematisch geordend worden,
terwijl dit niet de verwervingsvolgorde is.
Er moet extra aandacht besteed worden aan NT2-klanken die in de eerste taal niet
voorkomen of een andere betekenis hebben.
De taal- en onderwijsdoelen moeten voor een- en tweetalige gelijk zijn.
4 aspecten van taalvaardigheid:
1. Klankvaardigheid
2. Woordenschat
3. Vaardigheid in woord- en zinsopbouw
4. Gespreksvaardigheid
Klankvaardigheid:
NT2-verwervende kinderen hebben op hun 9e jaar het Nederlands klanksysteem
onder de knie.
Bij de kleuters moet er extra aandacht gegeven worden aan de klankvaardigheid ->
het klankniveau van de eerste taal heeft invloed op het verwerven van de tweede
taal.