Hoofdstuk 1:
1.1:
De definitie van handhaving is: alle activiteiten die gericht zijn op het doen naleven van wettelijke
regels door burgers, bedrijven en overheden. Handhaven kan repressief (daadwerkelijk) en
preventief (vooraf). Het college van burgemeesters en wethouders en de burgemeester zijn de
bestuursorganen binnen de gemeente, zij kunnen handhaven met bestuursrechtelijke middelen of
strafrechtelijke middelen. Bestuursrechtelijk handhaven gebeurt door het bestuursorgaan zelf.
Bestuurlijke sancties richten zich op het gedwongen ongedaan maken van de overtreding of de
gevolgen daarvan. Last onder bestuursdwang is het op jou kosten laten verwijderen door de
gemeente als jij het niet opruimt binnen een bepaalde periode, bij voldoende ernst kan het
bestuursorgaan meteen overgaan op het laten verwijderen door de gemeente, dit wordt
spoedeisende bestuursdwang genoemd. Last onder dwangsom is het zelf opruimen binnen een
bepaalde periode, als je dit niet doet wordt er per dag/week een boetebedrag opgelegd. Een
bestuurlijke boete is een geldboete en deze kan niet samen met een strafrechtelijke sanctie worden
opgelegd. Het intrekken van een vergunning gebeurt bij overtreding van de norm en spreekt voor
zich. Strafrechtelijke handhaving richt zich op de opsporing en bestraffing van strafbare feiten,
opsporen gebeurt door politie en BOA’s. strafrecht richt zich alleen op het bestraffen van de dader,
de bestraffing heeft een afschrikkende en preventieve werking. De belangrijkste strafrechtelijke
sancties zijn: gevangenisstraf, geldboete, taakstraf en de verbeurdverklaring van zaken als
bijkomende sanctie.
1.2:
Het toezicht op de naleving van wettelijke regels is een bestuursrechtelijke taak, de Algemene Wet
Bestuursrecht (Awb) staat daarin centraal. Deze wet zegt wie toezichthouder is, wat zijn
bevoegdheden zijn en welke sancties het bestuursorgaan kan opleggen. Opsporing van strafbare
feiten is geregeld binnen het strafrecht, het WvSv geeft de belangrijkste bevoegdheden en
procedures. De handhaver die toezichthouder en OA is moet zich bij de keuze in zijn bevoegdheid
afvragen welk doel die bevoegdheid heeft. Afhankelijk van het doel (bestuurlijk/strafvorderlijk) zal hij
daarvoor bedoelde bevoegdheden mogen toepassen. Het is niet ondenkbaar dat beide doelen niet
tegelijk kunnen worden toegepast, een strafrechtelijke sanctie gaat vaak samen met een bestuurlijke.
2 artikelen maken duidelijk dat het doel bepaald welke bevoegdheden ingezet kunnen worden.
Artikel 132a WvSv en artikel 1:6 Awb geven aan met welk doel strafvorderlijke en bestuurlijke
bevoegdheden gebruikt mogen worden. Artikel 132 a WvSv zegt dat een opsporingsonderzoek een
verband moet hebben met een SF, altijd onder gezag van de OVJ staat en steeds ene strafvorderlijk
doel moet hebben. Opsporingsbevoegdheden mogen alleen worden toegepast als er minstens een
redelijk vermoeden bestaat dat er een SF is/wordt gepleegd. De OA kan dan
opsporingsbevoegdheden uit het WvSv toepassen zoals: staande/aanhouden, in beslag nemen,
onderzoek aan de kleding en een ambtsedig PV opmaken. Indien er sprake is van een SF dat in de
Wet op de economische delicten (Wed) als economisch delict is aangewezen dan kan de OA ter
opsporing daarvan de opsporingsbevoegdheden uit de Wed toepassen. De OA is hierbij bevoegd om
in het belang van de opsporing: vatbare voorwerpen in beslag te nemen, inzage te vorderen in
gegevens/bescheiden, toegang tot elke plaats te hebben, zaken te onderzoeken/monsters
nemen/verpakkingen openen, vervoermiddelen/lading te onderzoeken, van bestuurder van een