4.1
Stofwisseling:
● Opbouw ( assimilatie ) : Van anorganische stoffen organische stoffen maken ( bijv.
fotosynthese, hormoonproductie ).
● Afbraak: Van organische stoffen anorganische stoffen maken ( bijv. vertering,
verbranding ).
4
Opbouw:
Anorganische stoffen + energie → organische stof
● Bijv. fotosynthese:
● Water + koolstofdioxide (+ zonlicht) = glucose + zuurstof
Afbraak:
Organische stoffen → anorganische stoffen + energie
Bijv. verbranding :
● Verbranding vindt plaats in alle cellen van elk organisme.
● Hiervoor worden brandstoffen gebruikt ( energierijke, organische stoffen ),
vooral glucose
● Verbranding wordt alleen gebruikt om het lichaam in leven te houden
● Verbranding:
● Glucose + zuurstof = co2 + h2o + energie
Organische stoffen:
● Koolhydraten (suiker)
● Eiwitten
● Vetten
Anorganische stoffen:
● Water
● Vitamine
● Zouten
Energie komt vrij in de vorm van beweging en warmte.
Gas stroomt van een hoge concentratie naar een lage concentratie.
Energieverbruik hangt af van:
● Het geslacht
● De leeftijd
, ● Groei
● Temperatuur (gebruikt meer energie als het koud is)
● Activiteit
Grondstofwisseling: Stofwisseling van een lichaam in rust.
● Wordt bepaald door de ingeademde zuurstof en de uitgeademde koolzuur te
meten
● Een temperatuur van 20-22 graden, volledige geestelijke en lichamelijke rust,
geen gebruik van voedsel
Enzymen: Eiwitten die de reactie versnellen
Enzymen zijn specifiek: Ze kunnen maar een soort reactie versnellen. Voor elk
stofwisselingsproces is dus één soort enzym.
Enzymen zijn afhankelijk van:
● Temperatuur
● pH ( zuurgraad )
Enzymactiviteit:
De snelheid waarmee enzym een reactie versneld
Optimumkromme:
Het verband tussen temperatuur en een enzymactiviteit in een diagram
● Als de temperatuur boven het minimum stijgt wordt het enzym werkzaam
● Deze stijging gaat door tot de zogenoemde optimum temperatuur
4.2
Voedingsmiddelen: Producten die je eet of drinkt.
Bouwstoffen: opbouw, herstel en groei van organismen.
● Eiwitten, koolhydraten,vetten,water, mineralen en vitamine