Kennistoets Onderzoeken
Fysiotherapie leerjaar 1, kwartiel 2
,Onderzoek 1: Introductie
Literatuur: Hdfst. 1.1 t/m 1.4, Hdfst. 2.1 t/m 2.5
Onderzoekend vermogen
1. Het hebben van een onderzoekende houding.
2. Het kunnen toepassen van onderzoeksresultaten en expertise van
anderen (gebruik van bestaande evidence).
3. Het zelf kunnen doen van onderzoek (bijdragen aan nieuwe
evidence).
Kenmerken onderzoekende houding
1. Opmerkzaam zijn.
2. Nieuwsgierig zijn (vragen stellen).
3. Bedachtzaam zijn (niet oordelen, proberen te begrijpen).
4. Kritisch zijn.
Onderzoekende houding
- Vragen stellen en formuleren volgens de PICO methode.
- Zoeken naar een antwoord.
- Beoordelen van literatuur.
- Evidence Based Practice.
- Zelf onderzoek uitvoeren.
Onderzoek als cyclus:
Evidence Based Practice -> Individuele patiënt
Cyclus van praktijkgericht onderzoek -> Een organisatie
(praktijk/instelling/praktijkgericht onderzoek)
Empirische cyclus -> De wetenschap (fundamenteel onderzoek)
Praktijkgericht en fundamenteel onderzoek
Fundamenteel: Vooral theoretisch relevant (bijv. DNA onderzoek naar
erfelijkheid van kanker. Klinische en maatschappelijke relevantie blijkt
later).
Praktijkgericht: Vooral maatschappelijke en/of klinische relevantie
(Patiënt, Organisatie en Maatschappij kunnen er direct bij baten) ->
Oplossingen voor een verbetering/innovatie van de praktijk.
Interventiecyclus (regulatieve cyclus) fases:
1. Probleemformulering: Wat is het probleem en waarom is het een
probleem?
, 2. Diagnose: Wat zijn de achtergronden en de oorzaken van het
probleem?
3. Interventieplan: Welke interventies stel je voor om, op basis van
de inzichten uit de diagnose, het probleem te veranderen en hoe zou
je die interventies en monitoren?
4. Interventie: Een interventie- of veranderingstraject wordt in gang
gezet; over het proces van invoering worden gegevens verzameld.
5. Evaluatie: In hoeverre is de interventie succesvol geweest? Is de
doelstelling bereikt? Is het probleem opgelost?
Klinische problemen vormen vaak de aanleiding voor je onderzoek. Hierbij
wordt de nadruk gelegd op 4 domeinen:
Etiologie: De vraag naar oorzaken of determinanten (risicofactoren of
risico-indicatoren) van een aandoening staan centraal. Ook wordt gekeken
naar bijwerkingen als gevolg van een behandeling .
Diagnose: Je richt je op de verschijnselen die een indicatie of voorspelling
geven van de aanwezigheid van een bepaalde aandoening.
Prognose: Je bestudeerd die factoren die van invloed zijn op het verdere
beloop van de ziekte (prognostische factoren).
Therapie: Je bekijkt de effectiviteit van een therapeutische interventie of
behandeling, of richt je op effectiviteit van een interventie om het
ontstaan van ziekten te voorkomen (preventie).
PICO methode
P: Patiënt/Probleem/Populatie: Over welke patiënten wil je met het
onderzoek uitspraken doen? Wat zijn de kernmerken van de personen over
wie het onderzoek gaat?
I: Interventie: Behandeling waarvan je het effect onderzoekt
C: Vergelijking (comparison): Hiermee vergelijk je de andere behandeling,
factor of test.
O: Resultaat (outcome): Welke uitkomst staat centraal in het onderzoek?
Welke uitkomst verwacht je?
Fysiotherapie leerjaar 1, kwartiel 2
,Onderzoek 1: Introductie
Literatuur: Hdfst. 1.1 t/m 1.4, Hdfst. 2.1 t/m 2.5
Onderzoekend vermogen
1. Het hebben van een onderzoekende houding.
2. Het kunnen toepassen van onderzoeksresultaten en expertise van
anderen (gebruik van bestaande evidence).
3. Het zelf kunnen doen van onderzoek (bijdragen aan nieuwe
evidence).
Kenmerken onderzoekende houding
1. Opmerkzaam zijn.
2. Nieuwsgierig zijn (vragen stellen).
3. Bedachtzaam zijn (niet oordelen, proberen te begrijpen).
4. Kritisch zijn.
Onderzoekende houding
- Vragen stellen en formuleren volgens de PICO methode.
- Zoeken naar een antwoord.
- Beoordelen van literatuur.
- Evidence Based Practice.
- Zelf onderzoek uitvoeren.
Onderzoek als cyclus:
Evidence Based Practice -> Individuele patiënt
Cyclus van praktijkgericht onderzoek -> Een organisatie
(praktijk/instelling/praktijkgericht onderzoek)
Empirische cyclus -> De wetenschap (fundamenteel onderzoek)
Praktijkgericht en fundamenteel onderzoek
Fundamenteel: Vooral theoretisch relevant (bijv. DNA onderzoek naar
erfelijkheid van kanker. Klinische en maatschappelijke relevantie blijkt
later).
Praktijkgericht: Vooral maatschappelijke en/of klinische relevantie
(Patiënt, Organisatie en Maatschappij kunnen er direct bij baten) ->
Oplossingen voor een verbetering/innovatie van de praktijk.
Interventiecyclus (regulatieve cyclus) fases:
1. Probleemformulering: Wat is het probleem en waarom is het een
probleem?
, 2. Diagnose: Wat zijn de achtergronden en de oorzaken van het
probleem?
3. Interventieplan: Welke interventies stel je voor om, op basis van
de inzichten uit de diagnose, het probleem te veranderen en hoe zou
je die interventies en monitoren?
4. Interventie: Een interventie- of veranderingstraject wordt in gang
gezet; over het proces van invoering worden gegevens verzameld.
5. Evaluatie: In hoeverre is de interventie succesvol geweest? Is de
doelstelling bereikt? Is het probleem opgelost?
Klinische problemen vormen vaak de aanleiding voor je onderzoek. Hierbij
wordt de nadruk gelegd op 4 domeinen:
Etiologie: De vraag naar oorzaken of determinanten (risicofactoren of
risico-indicatoren) van een aandoening staan centraal. Ook wordt gekeken
naar bijwerkingen als gevolg van een behandeling .
Diagnose: Je richt je op de verschijnselen die een indicatie of voorspelling
geven van de aanwezigheid van een bepaalde aandoening.
Prognose: Je bestudeerd die factoren die van invloed zijn op het verdere
beloop van de ziekte (prognostische factoren).
Therapie: Je bekijkt de effectiviteit van een therapeutische interventie of
behandeling, of richt je op effectiviteit van een interventie om het
ontstaan van ziekten te voorkomen (preventie).
PICO methode
P: Patiënt/Probleem/Populatie: Over welke patiënten wil je met het
onderzoek uitspraken doen? Wat zijn de kernmerken van de personen over
wie het onderzoek gaat?
I: Interventie: Behandeling waarvan je het effect onderzoekt
C: Vergelijking (comparison): Hiermee vergelijk je de andere behandeling,
factor of test.
O: Resultaat (outcome): Welke uitkomst staat centraal in het onderzoek?
Welke uitkomst verwacht je?