Hoofdstuk 6 Discourse and Register analysis approaches
6.0. Introduction
in de jaren 90 komt de discours analyse in de translation studies in opkomst, in opvolging op
ontwikkelingen in de toegepaste linguïstiek. onderzoekt de organisatie van teksten boven
zinslevel in tegenstelling tot normale tekstanalyse echter, die concentreert op het
beschrijven van de manier waarop een tekst georganiseerd is, kijkt de discours analyse naar
de manier waarop taal betekenis en sociale- en machtrelaties communiceert.
6.1. The Halidayan model of language and discourse
Halliday’s discours analyse bekijkt via systemisch functionele grammatica (systemic
functional grammar (SFL)) de studie van taal als communicatie. Zijn model ziet betekenis in
de linguïstische keuzes van de schrijver en relateert deze keuzes systematisch aan een wijder
sociocultureel frame. Daarnaast leent het zijn drieverdeling van de functies van talen
(informatief, expressief, appellatief) aan Bühler. Het belangrijkste aan dit model is echter, dat
het een sterke relatie ziet tussen linguïstische keuzes, het doel van de vorm van communicatie
en het socioculturele frame. Daarbij is de socioculturele omgeving waarin de tekst in werking
is het hoogste level. Deze houdt de conventies die van kracht zijn ten tijde en ter plaatse van
het produceren van de tekst in. Er zal dus bij de analyse van een tekst gekeken worden naar
sociale, culturele, politieke, historische en wettelijke omstandigheden.
Naar het model van Halliday bepalen de socioculturele omstandigheden deels het genre van
een tekst. In SFL wordt het genre ook wel gezien als het conventionele teksttype dat
geassocieerd wordt met een specifieke communicatieve functie. Door middel van het genre
kunnen andere elementen van het systemisch frame bepaald worden. Te beginnen met het
register.
Register = verbindt de variabelen van de sociale context met de taalkeuzes en bevat drie
elementen:
- veld = waarover geschreven wordt, het onderwerp van de tekst
- tenor = wie er communiceert en met wie
- modus = de vorm van communicatie (geschreven/gesproken/formeel/informeel)
Elk van deze variabelen van het register wordt geassocieerd met draden van betekenis of
discours semantiek in de tekst = metafunctie:
- ideëel: voorziet een representatie van de wereld of een gebeurtenis
subjectspecifieke terminologie, transitiviteitsstructuren (werkwoordvormen/selectie
van actief of passief/selectie van grammaticaal subject/gebruik van zelfstandige
naamwoorden in plaats van werkwoorden)
- interpersoneel: voert sociale relaties uit voornaamwoorden, modaliteit, evaluerend
lexicon (exlusief/inclusief/formeel/informeel/modale
werkwoorden/adverben/adjectieven)
- tekstueel: zorgt ervoor dat een tekst coherent samenhangt cohesie en thematische
en informatieve structuren. Cohesie = de manier waarop een tekst goed samenhangt op
lexicaal gebied door lexicale herhaling, het gebruik van voornaamwoorden in plaats
van naamwoorden, collocatie enz. – thematische en informatieve structuren =
woordvolgorde en plaats van elementen in de tekst.