Hoofdstuk 1 boek taalkunde
-taalgebruikers kunnen een zin beoordelen op grond van hun kennis van taal, niet uitsluitend op basis van hun
geheugen. De zin hoeft dus niet eerder al genoemd te zijn. Deze kennis is abstract en onbewust omdat mensen
moeite hebben om uit te leggen waarom iets fout is, ook al weten ze wel dat het zó moet.
-natuurlijke taal: door mensen gesproken en op natuurlijke wijze ontwikkelde taal vanuit primitief communicatie
systeem. Kenmerken: wordt gebruikt voor algemene communicatie over alles binnen ervaringswereld van
gebruikers, waarbij naar onderwerp jargon wordt gekozen. Regels waaraan taal moet voldoen vormen de
grammatica. Sommige talen gebruiken vallende en stijgende intonatie om verschil in woordbetekenis aan te geven.
talen moeten wel een soort gemeenschappelijke basis hebben in grammatica.
-universalia: eigenschappen die door alle talen worden gedeeld (compositionaliteit!) (talen worden door kinderen
verworven via interactie met de omgeving en zo doorgegeven!) (creativiteit!) (alle gesproken talen hebben klinkers
en medeklinkers) (in alle talen kan je ontkennen, vragen en bevelen)(alle talen hebben woorden voor zwart wit
donker en licht).
-compositionaliteit: Ieder woord is opgebouwd uit klanken, Elk woord afzonderlijk heeft een bepaald betekenis, en
woorden gecombineerd met andere woorden maken een complexe boodschap, waarin de volgorde vd woorden de
boodschap kan doen veranderen.
-recursie: het optreden van een constructie B als onderdeel van een identieke soort constructie A in een zin. vb: de
man (met de hoed (zonder veer (etc.
-creativiteit: met de regels van een taal nieuwe unieke zinnen produceren.
-dieren missen de creativiteit die nodig is voor menselijke talen. Dieren kunnen wel over een communicatiesysteem
beschikken, hierbij weinig variatie in mogelijke boodschappen (honing bloemen hoe ver). Geen creativiteit in
systeem, wat wel kenmerkend is voor natuurlijke taal. Mensentalen maken ook gebruik van interactie, het
taalgebruik wordt afgestemd op de gesprekspartner in een soort samenwerken. Mensentaal is spontaan; er hoeft
geen aanleiding te zijn, er hoeft niet eerst een bloem gevonden te zijn: mensentaal is onafhankelijk van het hier en
nu. Communicatiesystemen van dieren ook alleen de waarheid: nu een bloem daar. Ook is mensentaal grotendeels
willekeurig (arbitrair) wat betreft de relatie tussen vorm en betekenis. Er bestaat geen verband tussen de betekenis
van een woord en de vorm daarvan (reus en kabouter). Dierentalen niet arbitrair.
-Verschillen mensen/dierentalen: arbitrair, onafhankelijk van hier en nu, spontaan, interactie, creativiteit,
mogelijkheden
- onomatopee: uitzonderingen op willekeurigheid: een klanknabootsend woord. De relatie is niet willekeurig
(koekoek). Vorm woord weerspiegelt betekenis.
-kunsttalen: talen die door mensen ontworpen zijn (intern. Comm/ esperanto). Overeenkomst met natuurlijke talen:
compositionaliteit en arbitrair-heid. Verschillen: geen verandering over de tijd en geen taalverwerving als kind.
-computertalen: talen waarin programma’s zijn geschreven/ algebra. Er is een vaste 1 op 1 relatie tussen vorm en
betekenis. Alles heeft precies 1 betekenis/uitkomst. Ook kan er niks achterwege gelaten worden (hij schoot m dr in)
computers kunnen niet zelf aanvullingen maken. Bijvoegingen/ruis (zoals zeg maar eigenlijk) hebben effect op
toehoorders, kleuring, maar in computertalen wordt alles letterlijk genomen.
-nonverbale communicatie: betekenis die wordt overgedragen door afstand, houding, uitdrukking, handgebaren.
Gesticulaties hebben 1 betekenis (voorhoofd wijzen), en kunnen niet gecombineerd worden: geen compositionaliteit
en grammatica.
-talen zijn systemen van tekens waarmee mensen betekenis overdragen. Talen verschillen vooral in de structuur, en
modaliteit. Bij gebarentaal meer relatie tussen vorm en betekenis: iconiteit van gebaren (gebaar weten bij hoofd). –
de geschreven vorm van taal is afgeleid vd gesproken vorm en dus secundair. Maakt taal duurzaam. Talen zonder
geschreven vorm> primitieve talen: gesproken in minder ontwikkelde gemeenschappen, ook al kan alles ermee
uitgedrukt worden, dus niet echt primitief. Sommige talen wel beperktere woordenschat, voor terreinen die niet
bestaan voor gemeenschap, als verzekering voor indianen. Nieuwe begrippen kunnen wel altijd worden omschreven,
of worden geleend uit andere taal. Ook geen verschil tussen complexe en simpele talen, elke taal heeft eigen regels,
moeilijk te wegen welke complex is. De ene taal is voor kinderen niet moeilijker te leren dan de andere.
-talen zijn de essentie van het mens zijn, het zijn de onderscheidende eigenschappen vd geest die uniek zijn in de
mens. Uitgangspunt van taalwetenschap is zo veel mogelijk te generaliseren; regels zoeken die op veel gevallen
toepasbaar zijn, zodat je correcte zinnen kan voorspellen. Taalwetenschap wil de onbewuste regels die
taalgebruikers in hun hoofd hebben op papier zetten.
-door veranderingen binnen talen niet duidelijk wat goed/fout is. descriptieve grammatica: grammatica die
beschrijft hoe een taal in elkaar zit, zonder uitspraken te doen over welke varianten beter of slechter zijn.
prescriptieve grammatica: normatief: dus voorschrijft welke vormen van een taal goed of slecht zijn. is conservatief.
Taal is echter levend en verandert continu, descriptieve grammatica:; hoe de taal gebruikt wordt. Prescriptieve
grammatica: hoe taal gebruikt zou moeten worden volgens een bepaald moment.
-taalgebruikers kunnen een zin beoordelen op grond van hun kennis van taal, niet uitsluitend op basis van hun
geheugen. De zin hoeft dus niet eerder al genoemd te zijn. Deze kennis is abstract en onbewust omdat mensen
moeite hebben om uit te leggen waarom iets fout is, ook al weten ze wel dat het zó moet.
-natuurlijke taal: door mensen gesproken en op natuurlijke wijze ontwikkelde taal vanuit primitief communicatie
systeem. Kenmerken: wordt gebruikt voor algemene communicatie over alles binnen ervaringswereld van
gebruikers, waarbij naar onderwerp jargon wordt gekozen. Regels waaraan taal moet voldoen vormen de
grammatica. Sommige talen gebruiken vallende en stijgende intonatie om verschil in woordbetekenis aan te geven.
talen moeten wel een soort gemeenschappelijke basis hebben in grammatica.
-universalia: eigenschappen die door alle talen worden gedeeld (compositionaliteit!) (talen worden door kinderen
verworven via interactie met de omgeving en zo doorgegeven!) (creativiteit!) (alle gesproken talen hebben klinkers
en medeklinkers) (in alle talen kan je ontkennen, vragen en bevelen)(alle talen hebben woorden voor zwart wit
donker en licht).
-compositionaliteit: Ieder woord is opgebouwd uit klanken, Elk woord afzonderlijk heeft een bepaald betekenis, en
woorden gecombineerd met andere woorden maken een complexe boodschap, waarin de volgorde vd woorden de
boodschap kan doen veranderen.
-recursie: het optreden van een constructie B als onderdeel van een identieke soort constructie A in een zin. vb: de
man (met de hoed (zonder veer (etc.
-creativiteit: met de regels van een taal nieuwe unieke zinnen produceren.
-dieren missen de creativiteit die nodig is voor menselijke talen. Dieren kunnen wel over een communicatiesysteem
beschikken, hierbij weinig variatie in mogelijke boodschappen (honing bloemen hoe ver). Geen creativiteit in
systeem, wat wel kenmerkend is voor natuurlijke taal. Mensentalen maken ook gebruik van interactie, het
taalgebruik wordt afgestemd op de gesprekspartner in een soort samenwerken. Mensentaal is spontaan; er hoeft
geen aanleiding te zijn, er hoeft niet eerst een bloem gevonden te zijn: mensentaal is onafhankelijk van het hier en
nu. Communicatiesystemen van dieren ook alleen de waarheid: nu een bloem daar. Ook is mensentaal grotendeels
willekeurig (arbitrair) wat betreft de relatie tussen vorm en betekenis. Er bestaat geen verband tussen de betekenis
van een woord en de vorm daarvan (reus en kabouter). Dierentalen niet arbitrair.
-Verschillen mensen/dierentalen: arbitrair, onafhankelijk van hier en nu, spontaan, interactie, creativiteit,
mogelijkheden
- onomatopee: uitzonderingen op willekeurigheid: een klanknabootsend woord. De relatie is niet willekeurig
(koekoek). Vorm woord weerspiegelt betekenis.
-kunsttalen: talen die door mensen ontworpen zijn (intern. Comm/ esperanto). Overeenkomst met natuurlijke talen:
compositionaliteit en arbitrair-heid. Verschillen: geen verandering over de tijd en geen taalverwerving als kind.
-computertalen: talen waarin programma’s zijn geschreven/ algebra. Er is een vaste 1 op 1 relatie tussen vorm en
betekenis. Alles heeft precies 1 betekenis/uitkomst. Ook kan er niks achterwege gelaten worden (hij schoot m dr in)
computers kunnen niet zelf aanvullingen maken. Bijvoegingen/ruis (zoals zeg maar eigenlijk) hebben effect op
toehoorders, kleuring, maar in computertalen wordt alles letterlijk genomen.
-nonverbale communicatie: betekenis die wordt overgedragen door afstand, houding, uitdrukking, handgebaren.
Gesticulaties hebben 1 betekenis (voorhoofd wijzen), en kunnen niet gecombineerd worden: geen compositionaliteit
en grammatica.
-talen zijn systemen van tekens waarmee mensen betekenis overdragen. Talen verschillen vooral in de structuur, en
modaliteit. Bij gebarentaal meer relatie tussen vorm en betekenis: iconiteit van gebaren (gebaar weten bij hoofd). –
de geschreven vorm van taal is afgeleid vd gesproken vorm en dus secundair. Maakt taal duurzaam. Talen zonder
geschreven vorm> primitieve talen: gesproken in minder ontwikkelde gemeenschappen, ook al kan alles ermee
uitgedrukt worden, dus niet echt primitief. Sommige talen wel beperktere woordenschat, voor terreinen die niet
bestaan voor gemeenschap, als verzekering voor indianen. Nieuwe begrippen kunnen wel altijd worden omschreven,
of worden geleend uit andere taal. Ook geen verschil tussen complexe en simpele talen, elke taal heeft eigen regels,
moeilijk te wegen welke complex is. De ene taal is voor kinderen niet moeilijker te leren dan de andere.
-talen zijn de essentie van het mens zijn, het zijn de onderscheidende eigenschappen vd geest die uniek zijn in de
mens. Uitgangspunt van taalwetenschap is zo veel mogelijk te generaliseren; regels zoeken die op veel gevallen
toepasbaar zijn, zodat je correcte zinnen kan voorspellen. Taalwetenschap wil de onbewuste regels die
taalgebruikers in hun hoofd hebben op papier zetten.
-door veranderingen binnen talen niet duidelijk wat goed/fout is. descriptieve grammatica: grammatica die
beschrijft hoe een taal in elkaar zit, zonder uitspraken te doen over welke varianten beter of slechter zijn.
prescriptieve grammatica: normatief: dus voorschrijft welke vormen van een taal goed of slecht zijn. is conservatief.
Taal is echter levend en verandert continu, descriptieve grammatica:; hoe de taal gebruikt wordt. Prescriptieve
grammatica: hoe taal gebruikt zou moeten worden volgens een bepaald moment.