H1 = eigenschappen taal en verschijnselen
H2 = hoe taal gebruikt wordt en welke mentale processen hierbij komen
H3 = hoe mensen zich een taal eigen maken
H1
Taalgebruikers gebruiken geheugen en kennis van taal
Kennis van taal is niet bewust en vrij abstract, veel in de vorm van algemene regels: daardoor
hebben mensen moeite met uitleggen waarom een zin fout is.
Abstracte kennis = kennis om taal te begrijpen en produceren maar niet uit kunnen leggen hoe
het werkt
Natuurlijke, menselijke talen = eng, ned e.d.
Kenmerken natuurlijke talen:
- gebruikt voor algemene communicatie
- hebben een structuur; er zijn regels aan verbonden (grammatica)
topic = degene over wie wordt gesproken
universele eigenschappen talen = universalia van menselijke, natuurlijke talen
- bestaat uit kleine elementen die gecombineerd worden tot grotere eenheden.
- Specifiek voor natuurlijke menselijke talen is de dubbele articulatie (woorden hebben los
gezien een bepaalde betekenis maar in combinatie met andere woorden kunnen ze een
complexe boodschap vormen)
- Hebben allemaal klinkers en mkk
- Kunnen ontkennen, vragen stellen en bevelen geven
- Hebben een manier om complexe zinnen te maken
- Verwijzingen
- Hebben allemaal een woord voor zwart, wit, donker, licht
- Worden verworven door interactie en daardoor doorgegeven aan nageslacht
Verschillen menselijke, natuurlijke taal met dierlijke talen
- Variatie en creativiteit
- Is interactie – afgestemd op gesprekspartner, samen handelen
- Is spontaan, hoeft geen stimulus te zijn
- Hoeft niet tt te zijn en niet gehele waarheid
- Arbitraire (willekeurige) relatie vorm – inhoud
- Meerdere betekenissen mogelijk
Kunsttalen : ontworpen door mensen zodat iedereen elkaar kan begrijpen. Hebben niet
doorgezet. Hebben ook willekeurigheid en dubbele articulatie maar verandert niet in tijd en
wordt niet automatisch doorgegeven.
Computertalen: ontworpen door mens, alles heeft maar 1 betekenis, kan niets weggelaten
worden/ vanuit gegaan worden dat ontvanger zelf wat invult, geen verdere kleuring door inkleding
e.d.
Non-verbale communicatie : geen dubbele articulatie en vaste structuur/ grammatica. Het
overbrengen van boodschappen zonder te praten.
‘Taal’ kan voor alle manieren waarop mensen een bepaalde boodschap overdragen, bv kleding.
Verschillen:
, - Op basis van structuur
- gesproken talen / gebarentalen. Maakt gebruik van de visuele modaliteit.
Gebarentaal is grotendeels arbitrair, hebben een structuur of grammatica, wordt vanaf jong
verworven, en kan op elke situatie worden toegepast net als natuurlijke, menselijke talen.
- wel of niet geschreven
Niet geschreven talen noemen ze primitieve talen, taalwetenschap niet omdat die geen taal
primitief vinden, ze behalen allemaal doel tot communiceren. Schrijftaal is secundair omdat deze
afgeleid is van spreektaal.
- complexe of simpele talen
Taalwetenschap erkent dit verschil niet omdat er geen goede graadmeter is. Iedere taal is even
makkelijk te leren.
Modaliteit = uitingsvorm !?!?!?
Noam chomsky = 1 vd belangrijkste linguïsten van 20ste eeuw
Uitgangspunt taalwetenschap
- zoveel mogelijk generaliseren
- regels opstellen die kunnen voorspellen wat de mogelijke, correcte zinnen van een taal
zijn
- hoofddoelstelling = de onbewuste, abstracte kennis in hoofden van mensen in vaste regels
te zetten
Descriptieve grammatica = grammatica gebaseerd op alle kennis van de mensen die een bepaalde
taal als moedertaal hebben
Benoemt ook of dingen standaard, spreektaal of alleen in bepaalde gebieden voorkomt.
Prescriptieve grammatica = schrijft regels voor. Veranderingen worden als tekortkoming voor de
taal gezien. Dus conservatief
Diachrone taalbeschrijving = De beschrijving van de veranderingen in een taal in de loop van de
tijd.
Synchrone taalbeschrijving = beschrijven hoe de taal er op een bepaald moment uitziet
Pedagogische grammatica = geeft de belangrijkste regels voor iemand die een taal wil leren. Zijn
meestal prescriptief.
Wetenschappelijke grammatica = veel uitgebreider dan pedagogische en minder prescriptief en
explicieter over regels en uitzonderingen.
Benaderingen/ invalshoeken om een taal te bestuderen:
- vanuit een bepaald thema
- de taal met haar verschillende onderdelen en niveaus
deelterreinen taalwetenschap
pragmatiek, semantiek, syntaxis, morfologie, fonetiek, fonologie