paragraaf één:
Wet van de vraag: hoe hoger de prijs, hoe kleiner de gevraagde hoeveelheid.
Individuele vraag: aantal eenheden dat een consument ergens van wilt kopen bij
een
bepaalde prijs.
Betalingsbereidheid: de maximale prijs die een consument wil betalen voor één
product bij een gegeven aantal.
Consumentensurplus berekenen:
1 – bereken voor ieder product die de consument koopt het verschil tussen wat
hij bereid
is om maximaal te betalen en wat hij feitelijk heeft betaald.
2 –tel alle verschillen uit stap één bij elkaar op.
Wanneer het over één consument gaat, noem je dit het individuele
consumentensurplus.
PPDiscrete vraag: de aantallen moeten één geheel getal zijn (1,5 balpen is niet
mogelijk). Bij een prijs van $2 wilt de
$$In een individuele vraaglijn kun je gebroken getallen weergeven
consument -> continue
3 eenheden.
55vraag. Bij een prijs van $2
Het consumentensurplus wilt de =
consument
oppervlakte 3 van
eenheden.
de driehoek.
Het individuele consumentensurplus berekenen: Het consumentensurplus
0,5 ∙ ($5 - $2) ∙ 3 = $4,50. =
oppervlakte van de driehoek.
$$ 0,5 x lager
($5 - $2) x 3 =hoe
$4,50.
Hoe de prijs, groter
22
het individuele
Hoe lager de prijs, hoe groter
consumentensurplus.
het individuele
0 3 5
consumentensurplus.
q
De individuele vraag naar goederen wordt beïnvloedt door:
– individuele voorkeuren: als je van sporten houdt, heb je meer over voor
sportschoenen.
–P beschikbare budget: als je meer geld hebt, kun je meer eenheden kopen.
–$substitueerbare producten: P
P ze voorzien in het bevredigen van dezelfde
behoefte. $ $
5 5 elkaar aan (PS5 en spelletjes).
5
– complementaire producten: de producten vullen
- exogene factoren: vraag naar producten wordt beïnvloed door omstandigheden
waar je geen invloed op hebt (als het warm weer is, stijgt je vraag naar ijs).
paragraaf twee:
Collectieve vraag: het verband tussen de prijs en de hoeveelheid die door een
0 5 q 0 5 q 0
10 q
Persoon A Persoon B Collectieve
vraaglijn (persoon A + B)