H1: de prijs van tijd
De factor tijd heeft waarde. Voor een product is dat de waarde van het
producentensurplus dat hij in de tijd kan voortbrengen; voor een consument is dat de
waarde van het consuummentensurplus dat hij in die tijd kan genieten. De algemene
tijd van prijs is rente.
Consumptie kan intertemporeel worden verschoven; een consument die spaart, stelt
consumptie uit; een consument die leent haalt toekomstige comsumptie in de tijd
naar voren. Wanneer de kosten van sparen (de individuele prijs van tijd) lager zijn
dan de opbrengsten van sparen (de rente), zal iemand gaan sparen. Wanneer de
kosten van het lenen (de rente) lager zijn dan de opbrengst van het lenen (de
individuele prijs van tijd), zal iemand gaan lenen.
De consumentenprijsindex (CPI) geeft de hoogste van het algemeen prijspeil in het
land, uitgedrukt in een indexcijfer:
CPI= w1 x p1 + w2 x p2 + … + wn x pn
In deze formuleis w1 de wegingsfactor voor product 1, w2 die voor product 2 en zo
verder; p is het partiële prijsindexcijfer van product 1, p2 is het partiële
prijsindexcijfer van product 2, enzovoort. Wanneer de CPI door de tijd heen stijgt, is
er sprake van inflatie.
inflatie onstaat door onder meer veranderingen van de maatschappelijke
geldhoeveelheid: hoe meer geld er in de omloopt komt, hoe hoger de prijzen na
verloop van tijden zullen zijn. Er is sprakke van deflatie als het algemeen prijspeil
door de tijd heen daalt.
prijsindexcijfer vergelijkingsjaar = prijs van het product in het vergelijkingsjaar / prijs
van het product in basisjaar x 100