Hoorcollege 2 – DSM-5 & transdiagnostische aspecten 8
Deel 1: DSM 8
Deel 2: Transdiagnostiek 14
Hoorcollege 3 – Depressie 18
Hoorcollege 4 – netwerktheorie 24
Hoorcollege 5 – angststoornissen 30
Hoorcollege 6 – OCD & PTSS 38
Deel 1: OCD 38
Deel 2: PTSS 41
Hoorcollege 7 – Autismespectrumstoornissen 45
Hoorcollege 8 – Forensische psychologie 55
Hoorcollege 9 – Aanhoudende lichamelijke klachten (ALK) 61
Hoorcollege 10 – Voedings- en eetstoornissen 67
Deel 1: voedings- en eetstoornissen 67
Deel 2: onderliggende kenmerken 73
Hoorcollege 11 – Psychose 80
Hoorcollege 12 – Bipolaire stoornissen 87
Hoorcollege 13 – Verslaving 99
Hoorcollege 14 – Persoonlijkheidsstoornissen 105
Hoorcollege 15 – Neuro- en ouderenpsychologie 115
Deel 1: Neuropsychologie 115
Deel 2: Ouderenpsychiatrie 118
Kennisclip Suicide prevention 119
, Hoorcollege 1 – introductiecollege
Waarom is het beter begrijpen van psychopathologie relevant?
● Er lijkt een toename van psychische klachten te zijn
● De wachtlijsten in de GGZ nemen enorm toe
○ wellicht ook door gebrekkige behandeling → meer kennis nodig
● De maatschappij is afgelopen jaren veel complexer geworden
○ prestatiemaatschappij
Het is niet zo duidelijk te zeggen wat psychopathologie is. Wanneer gaat normaal gedrag over op
abnormaal gedrag? Bovendien is de omgeving voor gedrag enorm belangrijk.
DSM
Psychopathologie is gericht op het vinden van een betrouwbare manier om mensen te
diagnosticeren zodat we ze op een valide manier kunnen helpen. Met dit in het achterhoofd werd de
DSM opgesteld.
In 1880 begon de voorloper van de DSM met zeven diagnoses: manie, melancholie, monomanie,
paresis, dementie, dipsomanie en epilepsie (paresis: een soort convulsie na/door hysterie;
dipsomanie: verslaving gekoppeld aan seizoen). In 1911 waren hier met het ontstaan van de DSM-1
alweer 99 diagnoses bijgekomen, en met de jaren liep het aantal fors op (DSM-5: 491 diagnoses).
De geschiedenis van de DSM hangt samen met de psychologische stromingen die over de tijd de
grootste rol spelen (psychodynamisch → behaviorisme → humanisme → cognitieve stroming →
biologische stroming). De diagnoses die in de DSM staan en de ideeën over de DSM hangen dus af
van de sociale context van een bepaalde tijd. De hoofdstroming in psychopathologie nu is een
combinatie van (of is gevormd door de overblijfselen van) alle stromingen. Alle stromingen bestaan
nu nog steeds en strijden met elkaar. Ze hebben elkaar ook allemaal nodig om de psyche goed te
begrijpen en te verklaren.
● Psychodynamische stroming: over de relevantie van de patiënt-therapeut relatie,
introspectie
● Behaviorisme: er is een stimulus en dat roept een respons op
● Humanistische stroming: het idee dat je geen enkel label mag plakken op mensen, positieve
psychologie, mensen hebben potentie te groeien
● Cognitieve stroming: relevantie van interne leefwereld voor het begrijpen van gedrag, over
het maken van denkfouten
● Biologische stroming: het idee dat we alles kunnen uitzoeken / begrijpen, tot op de puntjes,
aan de hand van biologie (wij zijn ons brein)
Symptomen, die in de DSM gebruikt worden als criteria, zijn een uitingsvorm van een bepaald iets.
De oorzaken worden in de DSM niet besproken. Bijvoorbeeld, de persoonskenmerk “controledrang”
kan allerlei symptomen opleveren, waar weer labels opgeplakt kunnen worden (zoals OCS):
2
,Onthoud ook dat er aan deze oorzakelijke persoonsfactoren ook positieve kanten zitten.
Controledrang kan bijvoorbeeld leiden tot een erg gestructureerd persoon, dat iemand mogelijk
beter zijn best doet op school en om fouten te voorkomen.
De DSM biedt dus een manier om symptomen te ordenen. Er zijn echter ook limitaties aan de DSM.
● comorbiditeit is de regel
● afbakening onduidelijk, want er is heel veel overlap
● versnippering van diagnoses
○ mensen vallen in verschillende classificaties
● het is puur gericht op symptomen en niet op de onderliggende etiologie
Bovendien zijn er (financiële/pragmatische) problemen met deze classificatie: de zorgverzekeraar eist
een DSM diagnose om bijbehorende behandeling te vergoeden
DSM classificaties werken het beste als
● iedere classificatie uniek is
● iedere classificatie stabiel is
● ze alle symptomen verklaren
Bijvoorbeeld:
Burn-out is geen DSM classificatie → je mag als therapeut geen burnout stellen (maar huisarts wel,
want die werkt met de ICD).
Je behandelt mensen wel anders voor burn out dan voor depressie (burn out gaat meer over grenzen
heengaan)
→ er is echter bijna geen onderzoek naar omdat er dus geen DSM classificatie is
→ dus werkt deze andere behandeling echt beter?
Er zijn steeds meer alternatieven voor de DSM
● Research domain criteria (RDOC) → symptoomclusters linken aan neurobiologie
● Hierarchical taxonomy of psychopathology → psychopathologie spectra
● Netwerk theorie → samenhang van symptomen onderling
3
, Research Domain Criteria (RDOC)
Clusters van symptomen worden opgedeeld in neurobiologische domeinen die gekoppeld zijn aan de
mogelijke problematiek. Deze domeinen worden dan dieper geanalyseerd op verschillende
neuropsychologische niveaus.
Hierarchical taxonomy of psychopathology (HiTOP)
Met deze methode wordt een meer algemene ernsttaxatie opgesteld over de mate van de
psychopathologie, waarna het gekoppeld kan worden aan syndromen en daarna aan
DSM-stoornissen.
1. Mensen worden beschreven a.d.h.v. scores op specifieke dimensies.
2. Die dimensies zijn hiërarchisch geordend.
3. Functionele beperking wordt apart gescoord.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een internaliserend vs. externaliserend probleem:
● internaliserend: bijv. angst, depressie
● externaliserend: bijv. verslaving, agressie (forensische aspecten)
4