Overzicht formuleren
Stijlfouten - dubbelop
- fouten met verwijswoorden
- incongruentie
- dat/als-constructie
- foutieve samentrekking
- onjuist beknopte bijzin
- losstaand zinsgedeelte
- onjuiste inversie
- geen symmetrie
Stijlmiddelen - spreekwoorden, gezegdes, uitdrukkingen
beeldspraak:
- gebaseerd op een vergelijking
- niet gebaseerd op een vergelijking
Stijlfiguren - Middelen om je lichter uit te drukken
- middelen om je zwaarder uit drukken
- middelen om iets te benadrukken
- middelen om je aan het denken te zetten
- middel om een grappig effect te bereiken
Nederlands aantekeningen van stijlfouten
1. Dubbelop
a) herhaling.
vb: Op die leuke jongen uit 4W kun je niet op rekenen.
b) dubbele ontkenning.
vb: Die docent geeft nooit geen huiswerk op.
c) tautologie.
vb: Ik wil eigenlijk iets heel anders doen zaterdag, zoals bijvoorbeeld zwemmen of pianospelen.
→ Er worden twee synoniemen gebruikt terwijl één voldoende is. (enkel en alleen, haast en bijna) Vooral
bijwoorden, geen zelfstandige naamwoorden.
d) pleonasme.
vb: Je moet hier op school verplicht een keuzevak kiezen.
→ Je noemt een eigenschap van een woord die al in een woord opgenomen zit/bekend is. Twee
verschillende woordsoorten. (groen gras, witte sneeuw, ronde cirkel, vierkante vierkant.)
e) contaminatie.
vb: Je kunt dat document niet meer uitprinten. uitprinten= uitdraaien of printen.
vb: Mijn haar zit door de war. door de war= in de war of door elkaar.
→ Uitdrukkingen, woorden of spreekwoorden worden door elkaar gebruikt.
2. Fouten met verwijswoorden
→ verwijswoord verwijst naar iets in de zin. om verwijswoorden juist te gebruiken, moet je het geslacht van
een woord weten. Dit bepaal je door middel van een drie-stappenplan.
- Kijk naar het lidwoord. → het-woord: onzijdig. → de-woord: mannelijk of vrouwelijk.
- Kijk naar de uitgang van het woord.
Woorden met de volgende uitgang zijn vrouwelijk:
-ie, -theek, -de, -te, -schap, -uur, -heid, -teit, -st, -ij, -nis, -ing, -iek.
Eindigt een woord niet op één van deze uitgangen, dan is het woord mannelijk of vrouwelijk.
- Kijk in het woordenboek.
Mannelijke verwijswoorden: hij, hem en zijn.
Vrouwelijke verwijswoorden: zij, ze en haar.
Onzijdige verwijswoorden: het, zijn.
Hun/hen kwestie.
Wanneer gebruik je hun?
- Niet als onderwerp
- Bezittelijk voornaamwoord
1
Stijlfouten - dubbelop
- fouten met verwijswoorden
- incongruentie
- dat/als-constructie
- foutieve samentrekking
- onjuist beknopte bijzin
- losstaand zinsgedeelte
- onjuiste inversie
- geen symmetrie
Stijlmiddelen - spreekwoorden, gezegdes, uitdrukkingen
beeldspraak:
- gebaseerd op een vergelijking
- niet gebaseerd op een vergelijking
Stijlfiguren - Middelen om je lichter uit te drukken
- middelen om je zwaarder uit drukken
- middelen om iets te benadrukken
- middelen om je aan het denken te zetten
- middel om een grappig effect te bereiken
Nederlands aantekeningen van stijlfouten
1. Dubbelop
a) herhaling.
vb: Op die leuke jongen uit 4W kun je niet op rekenen.
b) dubbele ontkenning.
vb: Die docent geeft nooit geen huiswerk op.
c) tautologie.
vb: Ik wil eigenlijk iets heel anders doen zaterdag, zoals bijvoorbeeld zwemmen of pianospelen.
→ Er worden twee synoniemen gebruikt terwijl één voldoende is. (enkel en alleen, haast en bijna) Vooral
bijwoorden, geen zelfstandige naamwoorden.
d) pleonasme.
vb: Je moet hier op school verplicht een keuzevak kiezen.
→ Je noemt een eigenschap van een woord die al in een woord opgenomen zit/bekend is. Twee
verschillende woordsoorten. (groen gras, witte sneeuw, ronde cirkel, vierkante vierkant.)
e) contaminatie.
vb: Je kunt dat document niet meer uitprinten. uitprinten= uitdraaien of printen.
vb: Mijn haar zit door de war. door de war= in de war of door elkaar.
→ Uitdrukkingen, woorden of spreekwoorden worden door elkaar gebruikt.
2. Fouten met verwijswoorden
→ verwijswoord verwijst naar iets in de zin. om verwijswoorden juist te gebruiken, moet je het geslacht van
een woord weten. Dit bepaal je door middel van een drie-stappenplan.
- Kijk naar het lidwoord. → het-woord: onzijdig. → de-woord: mannelijk of vrouwelijk.
- Kijk naar de uitgang van het woord.
Woorden met de volgende uitgang zijn vrouwelijk:
-ie, -theek, -de, -te, -schap, -uur, -heid, -teit, -st, -ij, -nis, -ing, -iek.
Eindigt een woord niet op één van deze uitgangen, dan is het woord mannelijk of vrouwelijk.
- Kijk in het woordenboek.
Mannelijke verwijswoorden: hij, hem en zijn.
Vrouwelijke verwijswoorden: zij, ze en haar.
Onzijdige verwijswoorden: het, zijn.
Hun/hen kwestie.
Wanneer gebruik je hun?
- Niet als onderwerp
- Bezittelijk voornaamwoord
1