Het geloof in een bovennatuurlijke schepper heet het creationisme. Dit bepaalde tot in de
18e eeuw het westerse denkbeeld in de wetenschap over het ontstaan van het leven.
Evolutie is de ontwikkeling van het leven door veranderingen en het ontstaan van nieuwe
soorten.
Cuvier was de grondlegger van de paleontologie, de wetenschap die fossielen bestudeert.
Fossielen zijn restanten van vroeger levende organismen. Cuvier kwam met de
catastrofetheorie: een grote natuurramp was de oorzaak dat alle levende organismen in
het getroffen gebied stierven. Bij een nieuwe schepping na de catastrofe, kwamen er nieuwe
soorten.
De Lamarck kwam in 1809 als eerste met de evolutietheorie die wil verklaren hoe soorten
veranderen en nieuwe soorten ontstaan. Hij constateerde dat fossielen uit verschillende
afzettingslagen overeenkomsten in bouw vertonen, waarmee hij een stamboom creëerde.
Charles Darwin publiceerde ‘’on the origin of species’’ waarin hij constateerde dat in een
populatie individuen, verschillen in eigenschappen en de leefomgeving een selectiedruk
uitoefenen op hun overlevingskansen (the struggle for life):
- Seksuele selectie → voorkeur voor paring
- Natuurlijke selectie
- Survival of the fittest → individuen met eigenschappen die gunstig zijn bij
selectiedruk, hebben betere kansen in de strijd om het bestaan
Bipedie = het lopen op twee benen
Door verwantschap in kaart te brengen leiden wetenschappers de migratiepatronen af
waarmee voorouders de wereld hebben bevolkt.
De ‘’out of Africa’’-hypothese verklaart dat de moderne mens (Homo sapiens) ongeveer
200,000 jaar geleden in Afrika is ontstaan.
-----
Variatie in eigenschappen tussen soortgenoten is een belangrijke voorwaarde bij het
proces van natuurlijke selectie.
Een lange evolutionaire strijd tussen twee soorten waarbij de populatiesamenstelling van de
ene soort wijzigt door selectiedruk van de andere, wat vervolgens weer selectiedruk levert
voor de eerste soort heet co-evolutie.
Mayer kwam met de allopatrische soortvorming:
1. isolatie
2. adaptatie aan omstandigheden
3. ontstaan van nieuwe soort
Het ontstaan van een nieuwe soort zonder barrière is sympatrische soortvorming.
Allopatrische soortvorming = geografische scheiding
-----
Fossilisatie heeft verschillende oorzaken:
18e eeuw het westerse denkbeeld in de wetenschap over het ontstaan van het leven.
Evolutie is de ontwikkeling van het leven door veranderingen en het ontstaan van nieuwe
soorten.
Cuvier was de grondlegger van de paleontologie, de wetenschap die fossielen bestudeert.
Fossielen zijn restanten van vroeger levende organismen. Cuvier kwam met de
catastrofetheorie: een grote natuurramp was de oorzaak dat alle levende organismen in
het getroffen gebied stierven. Bij een nieuwe schepping na de catastrofe, kwamen er nieuwe
soorten.
De Lamarck kwam in 1809 als eerste met de evolutietheorie die wil verklaren hoe soorten
veranderen en nieuwe soorten ontstaan. Hij constateerde dat fossielen uit verschillende
afzettingslagen overeenkomsten in bouw vertonen, waarmee hij een stamboom creëerde.
Charles Darwin publiceerde ‘’on the origin of species’’ waarin hij constateerde dat in een
populatie individuen, verschillen in eigenschappen en de leefomgeving een selectiedruk
uitoefenen op hun overlevingskansen (the struggle for life):
- Seksuele selectie → voorkeur voor paring
- Natuurlijke selectie
- Survival of the fittest → individuen met eigenschappen die gunstig zijn bij
selectiedruk, hebben betere kansen in de strijd om het bestaan
Bipedie = het lopen op twee benen
Door verwantschap in kaart te brengen leiden wetenschappers de migratiepatronen af
waarmee voorouders de wereld hebben bevolkt.
De ‘’out of Africa’’-hypothese verklaart dat de moderne mens (Homo sapiens) ongeveer
200,000 jaar geleden in Afrika is ontstaan.
-----
Variatie in eigenschappen tussen soortgenoten is een belangrijke voorwaarde bij het
proces van natuurlijke selectie.
Een lange evolutionaire strijd tussen twee soorten waarbij de populatiesamenstelling van de
ene soort wijzigt door selectiedruk van de andere, wat vervolgens weer selectiedruk levert
voor de eerste soort heet co-evolutie.
Mayer kwam met de allopatrische soortvorming:
1. isolatie
2. adaptatie aan omstandigheden
3. ontstaan van nieuwe soort
Het ontstaan van een nieuwe soort zonder barrière is sympatrische soortvorming.
Allopatrische soortvorming = geografische scheiding
-----
Fossilisatie heeft verschillende oorzaken: