rechterlijke dwalingen
H1 Inleiding: moeilijke en gemakkelijke zaken.
Beslissing van de strafrechter
De rechter moet veel beslissingen nemen. Hij beslist bijvoorbeeld of het OM ontvankelijk is, of de
dagvaarding geldig is en of hij zelf bevoegd is. Verder besluit hij over allerlei verzoeken van het
OM en de verdediging. Tussen al deze kwesties door, stelt de rechter zichzelf de volgende
vragen:
I. Is de verdachte schuldig?
Bewijsbeslissing.
o Meestal eenvoudig: klip en klaar zaken.
II. Zo ja, welke straf krijgt hij?
Professioneel gemaakte fouten
Rechters spreken wel van een ‘bedrijfsfoutje’. Vaak wordt dit ‘foutje’ niet toegegeven. Bij de
Schiedammerparkmoord daarentegen, gaf de rechter wel toe dat hij een fout had gemaakt. Bij
Lucia de B. zei de voorzitter van de Raad van de Rechtspraak: ‘De betrokken rechters hebben
professioneel en integer gehandeld’. Van Koppen is het hier niet mee eens, maar geeft aan dat dit
wel tekenend is voor de manier waarop rechters tegen beslissingen aankijken.
Menselijke fouten en feitelijke beslissingen
De gebruikelijke verdediging van gemaakte fouten door rechters is tweeledig:
I. Er worden overal fouten gemaakt waar wordt gewerkt.
In elke strafzaak biedt het bewijs zonder uitvoering bij elkaar aan de rechter
geen absolute zekerheid. Er is altijd een bepaalde gok kans, maar bij twijfel: geen
veroordeling.
o Een twijfel bij een vrijspraak: geen rechtelijke dwalingen. Bij deze
dwalingen gaat het niet om menselijke fouten, maar om fouten die
eenmaal ontstaan omdat alle bewijs onvolkomen is.
o Als het werk van de rechter foute uitkomsten heeft, moet hij in staat zijn
te demonstreren dat hij de juiste methode heeft toegepast.
II. Je mag het niet te zwaar aanrekenen want meestal gaat het goed.
Van Koppen is het hier niet mee eens en geeft het voorbeeld van de huisarts
het is dé taak van professionals omdat ene speciale geval te identificeren en te
behandelen.
Een handicap is dat veel rechters menen dat de bewijsbeslissing juridisch is. Dit is niet waar. Hij
is ingebed met juridische elementen, maar de bewijsvraag zelve is een feitelijke kwestie die in
principe niet anders dan feitelijk is en ook in andere wetenschappen een rol speelt.
Van Middeleeuwse Godsoordelen naar rechtsspraak
In de Westerse maatschappij hebben wij een voorkeur voor een rationele traditie. In de
Middeleeuwen gooiden we nog heksen in het water, later werden we beschaafder. Er kwam een
systeem waarin de bekentenis van de verdachte volkomen bewijs was. Twee
getuigenverklaringen waren niet nodig. Maar de verdachte kon (herhaaldelijk) gemarteld
worden. De bekentenis moest wel even vrijelijk worden herhaald bij de echte zitting.
Meineed gebruiken we slechts nog om eventueel de getuige later te kunnen vervolgen.
1