Centrale overheid vormt de hoogste bestuurslaag. > ministeries in Den haag en hun
uitvoeringsorganen.
Provincies, gemeentes en waterschappen: decentrale overheden.
Kenmerkend van de overheid: haar bevoegdheid dwingend bijdragen van gezinnen en
bedrijven te vorderen, los van de mate waarin zij profijt van overheidsvoorzieningen
hebben.
Budgetmechanisme: besluitvormingsproces waarbij wordt vastgelegd welke taken de
overheid zal uitvoeren en hoeveel daarvoor mag worden uitgegeven.
Volksvertegenwoordiging beslist hoe goedgekeurde uitgaven zullen worden gefinancierd.
Collectieve sector: Rijk+ decentrale eenheden + instellingen die gefinancierd worden door
de overheid.
Valt te meten door gezamenlijke uitgaven van deze instellingen uit te drukken in %
van bbp.
- Stijging collectieve-uitgavenquote directe gevolg van groeiende activiteiten die de
overheid op tal van terreinen ontplooide (verzorgingsstaat: particuliere grootste deel
productie op zijn rekening maar overheid garandeert redelijk bestaan burgers).
Collectieve uitgaven quote: totaal collectieve uitgaven/ BBP (eeuw geleden 10% nu 50%).
Quartaire sector: collectieve sector + particuliere instellingen die noch collectief noch uit
marktprijzen worden betaald, kerken vakbonden verenigingen.
Marktsector: productieve activiteiten die grotendeels uit marktprijzen worden gefinancierd.
Overheidsbemoeienis met de economie
- Stabiliteitsfunctie: de overheid probeert de schommelingen in het niveau van de
conjunctuurgolf te dempen. Hoogconjunctuur wordt vaak afgewisseld door laagconjunctuur.
Recessie: wanneer economie twee opeenvolgende kwartalen krimpt.
Output gap: indicator stand van de conjunctuur. Gelijk aan de afwijking in procenten tussen
de feitelijke en het structurele bbp.
Structureel bbp: omvang van de economie waarbij zowel de bettingsgraad van de
productiecapaciteit als het werkloosheidspercentage gelijk is aan de evenwichtswaarde
tussen vraag en aanbod niet leidt tot spanningen.
Negatieve output: de bezettingsraad van de productiecapaciteit is lager dan de
evenwichtswaarde en dat het werkloosheidpercentage hoger is dan de evenwichtswaarde.
Positieve output gap: hogere dan normale bezettingsgraad en een werkloosheid die tijdelijk
geringer is dan de structurele werkloosheid.
In tijden van laagconjunctuur kan de overheid de bestedingen stimuleren door haar eigen
uitgaven op te voeren of de belasting te verlagen. In Hoogconjunctuur, oververhitting
economie kan zij haar uitgaven tijdelijk verlagen of belasting verhogen.
- Activistisch begrotingsbeleid is meestal niet succesvol. Maatregelen pas effectief in
laagconjunctuur wanneer de economie al uit dat dal is. Automatische stabiliseren